04/165 NABW 04/1699 NABW-VV U I T S P R A A K van DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde. I. INLEIDING Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 30 december 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 01/928 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij faxbericht van 26 maart 2004 heeft verzoeker verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij faxbericht van 5 april 2004 heeft hij de gronden aangevoerd waarop dit verzoek berust. Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 april 2004, waar verzoeker in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlo-pige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofd-zaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt, voorzover hier van belang, het volgende. Bij besluit van 6 juli 2000 heeft gedaagde een op 26 juni 2000 door verzoeker ingediende aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand van mr. O.N.J. Maatje, betrekking hebbend op diens werkzaamheden gedurende de periode van 1 april 2000 tot en met 15 juni 2000 ten bedrage van f 2.643,75, afgewezen op de grond dat het kosten betreffen in verband met gerechtelijke procedures die voortvloeien uit de tijd dat verzoe-ker als zelfstandige werkzaam was. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 15 februari 2001 heeft verzoeker wederom een aanvraag om bijzondere bijstand voor die kosten ingediend. Bij besluit van 22 februari 2001, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 28 juni 2001, heeft gedaagde met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb geweigerd terug te komen van het besluit van 6 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.