E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/5078 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Bij besluit van 22 oktober 1996 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen in aansluiting op de wachttijd tot en met 22 oktober 1996, aangezien gedaagde op grond van arikel 30, eerste lid, dan wel op grond van artikel 18, tweede lid, van de WAO niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd, nu hij reeds op 1 juni 1992 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 23 oktober 1996 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen in aansluiting op de wachttijd tot en met 22 oktober 1996, omdat hij, gelet op de door appellant gehanteerde eerste dag van arbeidsongeschiktheid van 1 januari 1986, in het refertejaar geen inkomen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW had verdiend. De tegen beide bovengenoemde besluiten ingestelde beroepen zijn door de rechtbank 's-Gravenhage gevoegd behandeld. Bij uitspraak van 19 januari 1998 (registratie-nummers AWB 96/12665 WAO en AWB 96/12666 AAW) heeft de rechtbank beide beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd vanwege strijd met het bepaalde in artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaald dat appellant opnieuw dient te beslissen op de aanvraag om een AAW/WAO-uitkering van gedaagde, met voorts bepalingen inzake vergoeding van het griffierecht en van de proceskosten. Bij besluit van 26 januari 1999 heeft appellant, ter uitvoering van die uitspraak, nogmaals geweigerd aan gedaagde een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen onder handhaving van 1 januari 1986 als de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Dientengevolge is gedaagde een AAW-uitkering geweigerd omdat hij niet voldoet aan de inkomenseis. Voorts is vastgesteld dat hij op 1 januari 1992 nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt was zodat hij op grond van artikel 18, tweede lid, WAO niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. Bij besluit van 24 maart 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 9 september 2002 (registratienummer AWB 00/4951 AAWAO), na heropening van het onderzoek ter terechtzitting en inscha-keling van een medisch deskundige en een arbeidskundig deskundige, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met bepalingen inzake vergoeding van het griffierecht en van de proceskosten. Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift, gedateerd 16 oktober 2002, aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 12 november 2002, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 april 2004, waar appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. D.S.C. Hes, advocaat te 's-Gravenhage. II. MOTIVERING De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak. In geschil zijn de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van gedaagde, welke door appellant arbitrair is vastgesteld op 1 januari 1986, en de mate van arbeids(on)geschiktheid van gedaagde op 1 juni 1992, bij aanvang van zijn werkzaamheden als onderhoudsmede-werker bij het verzorgingshuis "Nieuw Heeswijk". De rechtbank heeft, na heropening van het onderzoek ter zitting, als deskundigen benoemd dr. J.C. Streng, verzekeringsarts, en ing. Th.F.P. Braat, arbeidsdeskundige. Volgens Streng, voornoemd, moet, gelet op zijn rapport van 27 juli 2001, aangenomen worden dat op 6 augustus 1982 al sprake was van arbeidsongeschiktheid bij gedaagde en niet pas per 1 januari 1986 zoals door de verzekeringsarts is vastgesteld. Deze deskundige onderschrijft voorts evenmin de stelling van appellant dat de mate van arbeidsongeschikt-heid ten tijde van de uitval in 1995 niet veranderd is ten opzichte van die bij aanvang van de werkzaamheden in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.