02/3883 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 12 juni 2002, onder nummer AWB 01/2709 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 april 2004, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant is op 11 november 1996 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als kabellegger. Per 10 november 1997 zijn hem arbeidsongeschiktheidsuitkeringen teoegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In maart 1998 is appellant met toestemming van gedaagde naar Turkije vertrokken. Hij zou op 31 augustus 1998 terugzijn in Nederland. Nadat hij meerdere malen op zijn Nederlandse en Turkse adres was opgeroepen voor heronderzoek, waarop niet werd gereageerd, en ook op brieven van gedaagde met verzoeken om nadere informatie geen reactie kwam, heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 februari 1999 ingetrokken op grond van schending van de inlichtingenplicht van artikel 80 van de WAO. Uiteindelijk is appellant op 7 april 2000 verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts J. van Eekelen, die na medisch onderzoek voor appellant een belastbaarheidspatroon opstelde, waarbij naast lichamelijke beperkingen psychische beperkingen zijn aangenomen op de aspecten 28E, conflicthantering, en 28H, verantwoordelijkheid en afbreukrisico. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige A.M. Kersbergen op basis van dit belastbaarheidspatroon voor appellant geschikte functies geselecteerd en is op basis van het uurloon van de functie inpakker en het naar mei 2000 geïndexeerde maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 4,3%. Bij besluit van 3 juli 2000 heeft gedaagde geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien. Tegen dit besluit is namens appellant bezwaar gemaakt, waarbij is aangevoerd dat hij klachten heeft van depressiviteit en slapeloosheid, over onvoldoende energie beschikt, niet in staat is voor zichzelf te zorgen en vanwege sociaal disfunctioneren niet over duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid beschikt. Vervolgens heeft gedaagde appellant laten onderzoeken door psychiater K.R.M. Wettstein, die in zijn rapport van 19 februari 2001 concludeert dat appellant, die er slecht verzorgd uitzag en psychische klachten aangaf, in het verleden mogelijk depressief is geweest met psychotische kenmerken maar dat daarvan ten tijde van het psychiatrisch onderzoek niets wordt teruggezien en dat appellant de laatste twee jaar ook geen medicatie meer heeft gebruikt. Wettstein suggereert mogelijk secundaire ziektewinst samenhangend met het verlies van de WAO-uitkering en het niet verkrijgen van een verblijfsvergunning. Classificatie volgens de DSM IV resulteerde op AS I, II en III in geen diagnose of aandoening, op AS IV in psychosociale en/of omgevingsproblemen en op AS V, uitgaande van het verhaal van appellant, in een huidige GAF-score van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.