01/2486 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellant is mr. J.W. Verhoef, advocaat te Amstelveen, op bij beroepschrift -annex bijlagen- aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2000, nr. AWB 99/12403 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 13 oktober 2003 zijn namens appellant een aantal nadere stukken in het geding gebracht. Desgevraagd is namens gedaagde hierop gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Verhoef voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellant, geboren op 28 januari 1930, heeft bij formulier gedagtekend 1 november 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij is gehuwd met [naam partner], geboren op [in] 1935 en dat zijn echtgenote geen eigen inkomsten heeft. Bij een tweetal besluiten van 11 november 1994 heeft gedaagde daarop aan appellant met ingang van 1 januari 1995 een maximaal ouderdomspensioen en een maximale toeslag toegekend. In 1996 is door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en Gak Nederland bv (GAK) een onderzoek ingesteld bij restaurant [naam restaurant]. te Amsterdam. Bij huiszoekingen op 19 augustus 1996 is een vijftal combiplanners in beslag genomen over de jaren 1991 tot en met 1995, waarin de aan het personeel uitbetaalde bedragen stonden vermeld. Tevens werd een groot aantal dienstroosters over de jaren 1992 tot en met medio 1995 aangetroffen. Op deze dienstroosters stond het personeel met voornaam vermeld en het aantal per week gewerkte uren alsmede het uitbetaalde bedrag. In het kader van dit onderzoek is appellants echtgenote eerst als getuige gehoord. Op 9 september 1996 is zij vervolgens als verdachte verhoord. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is door de FIOD en het GAK geconcludeerd dat door [naam restaurant] op grote schaal loon is uitbetaald dat niet in de loonadministratie is verantwoord. Uit een brief van de belastingdienst Ondernemingen te Amsterdam aan gedaagde van 26 januari 1998 blijkt dat over de periode 1 januari 1991 tot en met 30 juni 1995 in de combiplanners de naam 'Greet' voorkomt. 'Greet' is geïdentificeerd als de echtgenote van appellant. Over de eerste 26 weken van 1995 is aan 'Greet' een bedrag uitbetaald van f 5.755,-. Op basis van de niet-verantwoorde uitbetaalde bedragen is aan Small talk een naheffingsaanslag opgelegd. De bedragen die aan 'Greet' zijn uitgekeerd zijn in deze aanslag begrepen. Uit de aangetroffen dienstroosters volgt dat 'Greet' gemiddeld 16 uur per week werkte. De strafzaak tegen [naam restaurant] is wegens een bereikte schikking geseponeerd. Appellants gemachtigde heeft zich daarop bij brief van 16 februari 1998 tot gedaagde gewend. Met het oog op de AOW-uitkering van appellant is verzocht om een positiebepaling van gedaagde ten opzichte van de werkzaamheden van appellants echtgenote. Daarbij is aangegeven dat appellants echtgenote 21 jaar geleden op advies van haar huisarts op therapeutische basis bij [naam restaurant] is gaan werken. De eigenaren van dit bedrijf zijn vrienden van appellant en zijn echtgenote. Deze situatie is gecontinueerd, óók toen er geen therapeutische noodzaak voor het werken meer bestond. Bij appellants echtgenote is de behoefte blijven bestaan aan het onderhouden van sociale contacten en zij geeft daaraan invulling door haar, zeer beperkte, aanwezigheid in de [naam restaurant]. Voorgesteld wordt om, voor de toepassing van de AOW, uit te gaan van de bestaande situatie. Door gedaagde is een opsporingsonderzoek gestart. Onder de gedingstukken bevinden zich, afgezien van de verhoren van appellant, zijn echtgenote en de eigenaar van [naam restaurant], geen kopieën van processen-verbaal van dit onderzoek, maar slechts samenvattingen en bevindingen. In de periode van 10 februari 1998 tot en met 15 december 1998 heeft gedaagde appellants echtgenote op 26 dagen geobserveerd. Naar aanleiding hiervan is geconcludeerd dat zij op tenminste 19 uur per week in de [naam restaurant] werkzaam was. Appellant en zijn echtgenote zijn op 17 februari 1999 aangehouden en verhoord als verdachten. Door appellants echtgenote is ontkend dat zij werkte in de [naam restaurant]. Zij was daar enkel aanwezig. Daarnaast zijn een aantal andere betrokkenen als getuigen gehoord. De eigenaar van de [naam restaurant], [eigenaar restaurant], heeft verklaard dat appellants echtgenote geen beloning ontving voor haar werkzaamheden. [naam werknemer], werkzaam in de [naam restaurant] van 1992 tot 1995, verklaarde dat zij op dinsdag en zaterdag met appellants echtgenote in de coffeeshop werkte, dat appellants echtgenote stond ingeroosterd op vaste dagen en tijden en dat zij haar deel uit de fooienpot kreeg. [naam werknemer 2], werkzaam in de [naam restaurant] tot mei 1994, verklaarde dat zij met appellants echtgenote samenwerkte op maandag en zaterdag en dat zij met zekerheid kon zeggen dat zij had gezien dat appellants echtgenote op zaterdag 'haar geld kreeg'. Bij besluit van 17 mei 1999 heeft gedaagde appellants toeslag op zijn AOW-uitkering van 1 januari 1995 tot en met juli 1998 herzien in verband met het inkomen van appellants echtgenote. Tevens is aangegeven dat een bedrag van f 42.235,79 aan vanaf 1 januari 1995 te veel betaalde toeslag wordt teruggevorderd. Het inkomen van appellants echtgenote is vastgesteld op de helft van het bruto minimumloon voor volwassenen. In bezwaar is namens appellant onder meer aangevoerd dat er, in de strafprocedure, sprake is geweest van onrechtmatige bewijsvergaring. Het is immers niet aannemelijk te achten dat eerst na 19 augustus 1996 een verdenking jegens appellants echtgenote kon ontstaan. Verder is aangevoerd dat gedaagde, door niet te reageren op de brief van appellants gemachtigde van 18 februari 1998, het vertrouwen heeft gewekt akkoord te gaan met de daarin neergelegde optie van 'continuering van de situatie' zonder dat zulks consequenties zou kunnen hebben voor de AOW-uitkering van appellant. Bij brief van 19 juli 1999 heeft gedaagde aan appellant verzocht om verlenging van de behandeltermijn van het bezwaar. Opgemerkt wordt verder dat indien appellant een hoorzitting wenst hij het antwoordstrookje volledig moet invullen en aan gedaagde retourneren. In dat geval zou appellant worden ingelicht over tijdstip en datum van de hoorzitting. Bij besluit van 21 oktober 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het besluit van 17 mei 1999 gehandhaafd. Opgemerkt wordt dat appellant desgevraagd geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een hoorzitting. Ten gronde wordt aangevoerd dat het niet aannemelijk wordt geacht dat appellants echtgenote geen loon heeft ontvangen voor de werkzaamheden die zij regelmatig uitvoerde gedurende een zo lange periode en een aanzienlijk aantal uren per week. Bij het bepalen van het loon van appellants echtgenote is uitgegaan van wat gebruikelijk is in deze branche. Geconcludeerd wordt dat de toeslag terecht met ingang van 1 januari 1995 is herzien en de ten onrechte betaalde toeslag met recht is teruggevorderd. In beroep worden de in bezwaar aangevoerde grieven herhaald. Toegevoegd wordt dat ook het optreden van de opsporingsdienst van gedaagde onrechtmatig is geweest. Verder wordt het ontbreken van een hoorzitting gelaakt. Inhoudelijk wordt de motivering van het bestreden besluit ontoereikend geoordeeld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellant, naast een herhaling van zijn eerder naar voren gebrachte grieven, aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet kan zijn uitgesproken op de aangegeven uitspraakdatum, te weten 26 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.