01/4961 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, op bij een aanvul-lend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de recht-bank Rotterdam op 1 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. NABW 01/167, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 27 april 2004, waar appellant in persoon is ver-schenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. MOTIVERING Appellant ontving een bijstandsuitkeringuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandwet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 29 september 1997 heeft gedaagde die uitkering met ingang van 1 september 1997 beëindigd. Bij besluit van 21 juli 1998 heeft gedaagde het tegen het besluit van 29 september 1997 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat appellant, gelet op de omvang van de werkzaamheden in het bedrijf van zijn vader, niet werkloos is te achten. Bij uitspraak van 29 september 1998 heeft de president van de rechtbank Rotterdam - voorzover hier van belang - het tegen het besluit van 21 juli 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant neemt. Tevens heeft de president het door appellant ingediende verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar van gedaagde. Gedaagde heeft tegen de uitspraak van 29 september 1998 hoger beroep ingesteld. Ter uitvoering van de uitspraak van de president van de rechtbank Rotterdam heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 september 1997 hangende het hoger beroep tegen de uitspraak van 29 september 1998 bijstand verstrekt naar de norm voor een alleenstaande. Bij uitspraak van 6 april 1999, reg. nr. 98/7798 NABW, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 29 september 1998, voorzover aangevochten, vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Bij besluit van 3 augustus 1999 heeft gedaagde het recht op uitkering van appellant over de periode van 1 september 1997 tot en met 31 maart 1999 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f 21.434,31 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 5 december 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 3 augustus 1999 gemaakte bezwaar ten dele gegrond verklaard in die zin dat het terug te vorderen bedrag wordt gesteld op f 18.466,09, en de terugvordering gebaseerd op artikel 81, tweede lid, van de Abw. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voorzover van belang, het beroep tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen dat onderdeel van die uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt vast dat door zijn uitspraak van 6 april 1999 de grondslag is komen te ontvallen aan de betalingen aan appellant over de periode van 1 september 1997 tot en met 31 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.