02/2697 + 2698 ZW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 11 september 2000 heeft gedaagde bepaald dat appellant met ingang van 16 augustus 2000 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 29 september 2000 heeft gedaagde de over de periode van 16 augustus 2000 tot en met 3 september 2000 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de ZW ten bedrage van f 875,82 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 1 november 2000, hierna: het bestreden besluit 1, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2000 ongegrond verklaard. Bij besluit van 2 februari 2001, hierna: het bestreden besluit 2, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 16 april 2002 (nrs. AWB 00/7445 ZW en AWB 01/399 ZW) de beroepen tegen de bestreden besluiten van 1 november 2000 en 2 februari 2001 ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat te 's-Hertogenbosch, op bij beroepschrift vermelde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft de longarts F.M.L.H.G. Palmen onder dagtekening 4 december 2003 de Raad van verslag en advies gediend. Namens appellant heeft mr. Weehuizen, voornoemd, daarop gereageerd, waarop de voornoemde longarts Palmen, desgevraagd, bij brief van 7 januari 2004 correcties op zijn rapport van 4 december 2003 heeft aangebracht. Partijen hebben vervolgens nogmaals gereageerd. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 7 april 2004, waar appellant en zijn gemachtigde, met schriftelijk bericht, niet zijn verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. K. Nouws, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 16 augustus 2000 heeft appellant zich met klachten van duizeligheid en slaapproblemen ziekgemeld voor zijn werk als productiemedewerker. De verzekeringsarts J.T.J.A. Klijn heeft omtrent bovenvermelde klachten informatie ingewonnen bij de behandelend longarts dr. P.J.E. Vos en vervolgens appellant niet wegens ziekte of gebrek ongeschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In het besluit van 11 september 2000 is daaraan de navolgende motivering ten grondslag gelegd: "Uw klachten bestaan reeds lang en u hebt zich hiervoor in januari 2000 ook ziekgemeld. Uw ziekmelding is toen niet geaccepteerd en u hebt vervolgens vijf maanden zonder ziekmelding gewerkt. Op grond van deze gegevens kan niet worden aangenomen dat u nu zonder dat noemenswaardige veranderingen in uw medische toestand zijn opgetreden arbeidsongeschikt bent terwijl u met dezelfde klachten dit jaar vijf maanden hebt gewerkt." Appellant heeft daartegen in bezwaar aangevoerd dat zijn slaapproblemen bijzonder ernstig zijn en zijn hele functioneren beïnvloeden. Weliswaar gebruikt appellant vanwege een obstructief slaapapneusyndroom (OSAS) een apparaat dat hem 's nachts van zuurstof voorziet, de zogenaamde continuous positive airway pressure (CPAP), maar vanwege een allergie veroorzaakt de luchtstroom bij appellant een dichte neus en brandende ogen. Daarom laat appellant het gebruik van CPAP vaak achterwege, met als gevolg dat hij om de paar minuten wakker schrikt en slecht slaapt, waardoor hij overdag doodmoe en niet tot werken in staat is. In het bestreden besluit 1, heeft gedaagde onder meer overwogen dat er met name gezien de informatie van de behandelend longarts dr. Vos, voornoemd, geen redenen zijn om arbeidsongeschiktheid aan te nemen op grond van hypersomnolentie op basis van een slaapapneusyndroom. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat uit de informatie van de behandelend longarts dr. Vos is gebleken dat het gebruik van CPAP de enige behandelmogelijkheid voor appellant is, dat derhalve het beleid van de longarts erop gericht was appellant te begeleiden bij het gebruik van CPAP en dat het voor de longarts onbegrijpelijk is dat appellant CPAP niet kan verdragen. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet met een medische verklaring heeft onderbouwd dat sprake is van zodanig onaanvaardbare bijwerkingen bij het gebruik van CPAP dat dit gebruik in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. De rechtbank concludeert derhalve dat de duizeligheidsklachten en slaapproblemen geen rechtstreeks gevolg zijn van het slaapapneusyndroom. De Raad heeft in hoger beroep aanleiding gezien de deskundige-longarts Palmen, voornoemd, te raadplegen omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, 16 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.