02/199 BZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 28 november 2001 door de rechtbank Groningen tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 00/419 BZ, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is, gevoegd met het geding met reg. nr. 02/186 NABW, behandeld ter zitting van 20 april 2004, waar appellant en zijn gemachtigde, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door K.J. Hooiting, werkzaam bij de gemeente Delfzijl. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. II. MOTIVERING Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden die hij als vaststaande aanneemt. Appellant ontving laatstelijk een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een echtpaar. Op 14 februari 1999 heeft appellant een aanvraag ingediend ingevolge de Abw en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) om bijstand in de vorm van bedrijfskapitaal alsmede een periodieke uitkering ter voorziening in de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellant wenste een eigen groothandel op te richten ter exploitatie van onder meer twee door hem gedane uitvindingen, te weten een speciaal soort bagagedrager en dito winkelboodschappenwagen. In verband daarmee heeft gedaagde de Stichting IMK Intermediair Regio Noord-Oost (verder: het IMK) om advies gevraagd. Het IMK heeft op 23 maart 1999 aan gedaagde rapport uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat het bedrijf van appellant op basis van de voorhanden zijnde gegevens niet levensvatbaar wordt geacht. Daarbij heeft het IMK overwogen dat concrete bedrijfsplannen ontbreken en dat gezien de schuldpositie de continuïteit van het bedrijf niet is gewaarborgd. Gedaagde heeft de aanvraag van appellant bij besluit van 1 oktober 1999 mede onder verwijzing naar het advies van het IMK afgewezen. Het tegen dit besluit namens appellant gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 4 april 2000 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit van 4 april 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe verwezen naar artikel 8, tweede, vijfde en zesde lid, van de Abw en artikel 1, eerste lid, onder b van het Bbz en het standpunt van gedaagde onderschreven dat in het geval van appellant van een levensvatbaar bedrijf geen sprake is. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Gedaagde heeft de aanvraag van gedaagde afgewezen op de grond dat diens bedrijf ten tijde in geding niet levensvatbaar is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz. Dit besluit steunt, zoals hiervoor is aangegeven, op het voormelde rapport van het IMK van 23 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.