02/3858 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij brief van 7 mei 2001 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van het besluit dat hij op en na 14 mei 2001 geen recht op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft, op de grond dat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 3 juli 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 20 juni 2002 (reg.nr.: 01/636 ZW) het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend. Appellant heeft bij brief van 2 oktober 2002 gereageerd op de inhoud van bovenvermeld verweerschrift. Bij brief van 5 april 2004 heeft appellant nadere medische gegevens in het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.T. Damsma, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet door partijen is betwist. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht en op goede gronden appellant op en na 14 mei 2001 uitkering ingevolge de ZW heeft ontzegd. Die vraag beantwoordt de Raad, anders dan de rechtbank, ontkennend. Daartoe is als volgt overwogen. De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het advies van de door de rechtbank geraadpleegde orthopedisch chirurg dr. J.W. Schimmel, als vervat in diens rapport van 3 december 2001 en aanvullend rapport van 19 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.