01/4872 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 17 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/1674 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 mei 2004, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid, en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: " Bij brief van 22 december 1999 is eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2000 zijn schuld aan de gemeente dient af te lossen in termijnen van f 1500,00 per maand. Op 18 februari 2000 heeft eiser gesteld dat hij niet in staat is f 1500,00 per maand af te lossen, maar dat hij bereid is f 100,00 per maand te betalen. Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit van 30 maart 2000 vastgesteld dat eiser per maand een bedrag van f 214,00 kan aflossen op zijn schuld aan de gemeente. Aan deze beslissing heeft verweerder een draagkrachtberekening ten grondslag gelegd die is gebaseerd op door eiser overgelegde bewijsstukken. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 april 2000, aangevuld bij brieven van 10 en 19 mei 2000, bezwaar gemaakt. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de hoogte van het totale terugvorderingsbedrag, dat de maandelijkse aflossingstermijn van f 214,00 te hoog is en dat geen, althans onvoldoende, rekening is gehouden met zijn financiële positie. Eiser kan zich niet verenigen met de uitgevoerde draagkrachtberekening. Op 19 juni 2000 heeft eiser zijn bezwaren nader toegelicht tijdens de hoorzitting. Eiser is daarop in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens en bewijsstukken te overleggen. Bij brief van 22 juni 2000 heeft eiser desbetreffende stukken ingezonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat overeenkomstig de richtlijnen 50% van het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm dient te worden aangewend voor het aflossen van schulden. Daarnaast wordt 5% van de bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) in aanmerking genomen voor aflossing. Het netto inkomen is verminderd met het verschil tussen de werkelijke huur en het bedrag van de normhuur. Geen rekening wordt gehouden met de reeds bestaande aflossing van f 320,00, de nominale ziekenfondspremie, betalingen aan de moeder van eiser in Marokko en de overige energielasten.". Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit op bezwaar van 12 september 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen: "2.2 De door verweerder gehanteerde richtlijnen voor aflossing van ten onrechte genoten bijstand zijn opgenomen in het Vademecum van de Afdeling Sociale zaken (hierna: Vademecum).Voor zover van belang is onder het kopje "aflossen" (pagina L-3) het volgende bepaald: "De vaststelling van de hoogte en duur van aflossingsbedragen wordt mede afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin. Gemeentelijk zijn aflossingsbedragen vastgesteld, waarvan kan worden afgeweken gezien omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin. Voor deze maandelijkse aflossing is ervan uitgegaan, dat er behalve uitgaven voor noodzakelijke goederen waarvoor bijstand wordt gevraagd, ook andere uitgaven (dan wel reserveringen of aflossingen) moeten worden gedaan voor duurzame gebruiksgoederen, die ook voor de laagste inkomens gebruikelijk zijn. Daarom is niet de gehele ruimte in de inkomens aangesproken voor de aflossing op (leen)bijstand. (…) Als personen of gezinnen een hoger inkomen dan het sociaal minimum ontvangen, wordt ter zake een hoger aflossingsbedrag vastgesteld. Als regel kan gelden het genoemde bedrag in tabel L.4 [5% van de bijstandsnorm: voor een echtpaar f 108,53] plus 50% (…) van het meerdere inkomen boven de bijstandsnorm. In bijzondere individueel bepaalde omstandigheden kan een verlaging van het aflossingsbedrag gerechtvaardigd zijn." De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het beleid van de gemeente Roosendaal te aanzien van de invordering zoals opgenomen in het Vademecum kennelijk onredelijk is danwel anderszins de rechtelijke toetsing niet kan doorstaan. Deze beleidsregels vormen derhalve de specifieke grondslag waarop de houdbaarheid van het besluit moet worden beoordeeld. 2.3 Vast staat dat eiser een schuld heeft bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Roosendaal van f 101.455,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.