E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/6199 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 6 maart 2002 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat hem met ingang van 11 maart 2002 geen ziekengeld meer wordt toegekend, omdat hij op en na deze datum niet langer ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wordt geacht. Bij besluit van 16 mei 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 5 november 2002 (Reg.nr.: ZW 02/1404-GERR) het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 6 maart 2003 (met bijlage) is namens appellant gereageerd op de inhoud van bovengenoemd schrijven. Gedaagde heeft bij brief van 26 maart 2003 een nader commentaar d.d. 19 maart 2003 van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg overgelegd. Bij brieven van 16 september 2003 en 6 januari 2004 zijn namens appellant nadere stukken in het geding gebracht. Daarbij is voorts een besluit d.d. 19 december 2003 van gedaagde overgelegd, waarbij is besloten dat appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 25 december 2001 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Desgevraagd hebben beide partijen toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een zitting. II. MOTIVERING Nu gedaagde bij het besluit van 19 december 2003 te kennen heeft gegeven dat appellant met ingang van 25 december 2001 volledig arbeidsongeschikt is te achten, is in principe voor appellant het belang bij een beoordeling van het bestreden besluit, waarbij aan hem met ingang van 11 maart 2002 geen ziekengeld meer wordt toegekend, komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet Bestuursrecht. (Awb). In dit geval heeft de gemachtigde van appellant in het aanvullend beroepschrift verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de schade aan de kant van appellant, zodat het procesbelang niet is komen te vervallen. Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de schade overweegt de Raad dat gedaagde nalatig is gebleven uitkering betaalbaar te stellen vanaf 11 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.