02/313 WAO, 04/1428 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. J.H. Abelen, werkzaam bij Anker Rechtsbijstand te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 6 december 2001 (nr. AWB 00/602 WAO V05) tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Abelen heeft met een toelichtende brief van 16 september 2002 stukken toegezonden, bij brief van 29 november 2002 gereageerd op een schrijven van gedaagde van 30 september 2002 en bij brief van 29 april 2004 twee arbeidskundige rapporten toegezonden. Naar aanleiding van vragen van de fungerend president heeft gedaagde bij besluit van 3 maart 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, en dit besluit alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken in geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H Schouwstra, werkzaam bij Anker Rechtsbijstand te Groningen, en waar namens gedaagde is verschenen B.W. Kloosterhuis, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant was werkzaam als product- en verkoopmanager bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever) toen hij op 4 november 1998 zijn werk staakte als gevolg van een verstoorde verhouding met zijn werkgever. De verzekeringsarts S.D. de Vries was blijkens zijn rapport van 1 september 1999 van mening dat appellant niet meer terug kon naar zijn oude werkgever, maar dat hij hetzelfde werk bij een andere werkgever zou kunnen verrichten. Gedaagde vond hierin aanleiding bij besluit van 30 september 1999 na afloop van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken op 2 november 1999 uitkering krachtens Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te weigeren, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op 3 november 1999 minder dan 15% was te achten. In de bezwaarfase werd appellant nogmaals gezien door De Vries, die in zijn rapport van 15 december 1999 aangaf dat appellant heeft geprobeerd zich staande te houden in een arbeidsconflict, maar er nu toch onderdoor dreigde te gaan. Hij was van mening dat appellant op dat moment niet belastbaar was, maar vond het voor het onderbouwen van dit standpunt wel nodig dat appellant werd onderzocht door een psychiater. Onder intrekking van zijn besluit van 30 september 1999 kende gedaagde appellant bij besluit van 21 december 1999 met ingang van 3 november 1999 een WAO-uitkering toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tegen dit besluit diende de werkgever een bezwaarschrift in. Op verzoek van De Vries is appellant onderzocht door de psychiater J.C.A. Weijmar Schultz, die blijkens zijn rapport van 25 februari 2000 geen psychiatrische diagnose in de zin van een toestandsbeeld kon stellen. Wel was er in zijn visie sprake van een chronische verstoring van het draagkracht-draaglastevenwicht, vooral op momenten waarop appellant zichzelf moet bewijzen. In principe zou appellant volgens Weijmar Schultz in staat geacht moeten worden op wat eenvoudiger niveau werkzaamheden te verrichten, omdat van een tot arbeidsongeschiktheid leidende ziekte geen sprake is. Weijmar Schultz stelde dat appellant minder geschikt is voor een managementfunctie en voor dit soort zenuwvermoeiende omstandigheden moet worden beperkt, alsmede voor conflicterende functie-eisen. Na ontvangst van het rapport van Weijmar Schultz stelde De Vries op 17 maart 2000 een belastbaarheidsprofiel op en achtte hij appellant beperkt op de aspecten 28D (conflicterende functie-eisen) en 28E (conflicthantering). Tevens gaf hij aan dat er geen sprake mag zijn van zenuwvermoeiende omstandigheden en dat appellant minder geschikt is voor een functie als manager. De arbeidsdeskundige R. Franzen selecteerde na raad-pleging van het FIS functies en berekende het verlies aan verdiencapaciteit op 64,84%. Tijdens de hoorzitting werd appellant gezien door de bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen, die in zijn rapport van 10 mei 2000 vermeldde dat in het belastbaarheidsprofiel de aspecten 13 (tillen) en 15 (dragen) gecorrigeerd moeten worden, maar dat dat niet leidt tot het vervallen van functies. Tevens gaf hij aan geen argumenten te hebben om af te wijken van de visie van Weijmar Schultz. Bij besluit van 26 mei 2000 (besluit 1) nam gedaagde een beslissing op het bezwaar van de werkgever en wel in die zin dat appellant met ingang van 8 juli 2000 voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Tegen dit besluit stelde appellant beroep in, welk beroep bij de thans aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard. In hoger beroep heeft appellant gemotiveerd het standpunt ingenomen dat hij op een groot aantal onderdelen meer beperkt is dan verweerder aanneemt. Tevens heeft hij gewezen op het feit dat zijn WAO-uitkering per 2 november 2000 wederom wordt berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 en dat hij van mening is dat er geen argu- menten zijn om de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in de periode van 8 juli 2000 tot 2 november 2000 anders te beoordelen dan in de periode daarvoor en daarna. In verband met het voorkomen van wisselende diensten in de aan de schatting ten grondslag liggende functies heeft gedaagde in de fase van het hoger beroep een nader arbeidskundig onderzoek ingesteld. Dit heeft ertoe geleid dat een aantal functies zijn vervallen, maar dat voldoende functies zijn overgebleven om een schatting op te kunnen baseren. Het mediane loon in de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen leverde een verlies aan verdiencapaciteit op van 71,66% en leidde daarmee tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 maart 2004 (besluit 2) heeft gedaagde bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 8 juli 2000 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Met besluit 2 is wijziging gebracht in besluit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.