01/141 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij brief van 10 december 1999 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (bestreden besluit). De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 21 november 2000 (AWB 99/10636 WAO) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. C.A.L. Keijzers, verbonden aan het Bureau Rechtshulp Helmond, op in het aanvullend beroepschrift – met bijlagen – vermelde gronden hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. Bij brief van 18 november 2002 heeft mr. R.C. van der Weele, advocaat te Helmond, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Gedaagde heeft bij brief van 24 januari 2003 stukken ingezonden. Het geding is behandeld op de zitting van 11 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Weele als zijn raadsvrouw, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, niet is verschenen. De Raad heeft na de zitting het onderzoek heropend. Aan gedaagde is een afschrift toegezonden van een psychiatrisch rapport d.d. 21 juli 2003 van de deskundige psychiater M.J. van Weers te Venray. Bij brief van 29 augustus 2003 heeft gedaagde een reactie op dat rapport ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie Desgevraagd heeft de deskundige Van Weers op 15 februari 2004 nader gerapporteerd. Gedaagde heeft bij brief van 1 april 2004 wederom een reactie op dat rapport ingezonden. Tevens zijn enkele andere stukken ingezonden. Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van 28 april 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van der Weele en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A.L. Hermans- de Jong, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant, geboren in 1955, is laatstelijk werkzaam geweest als stanser/werkvoorbereider. Hij is voor deze werkzaamheden op 10 maart 1995 uitgevallen wegens rugklachten, migraine en psychische klachten. Aan hem is een WAO-uitkering toegekend, welke per 13 februari 1997 is bepaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij een medisch heronderzoek door de verzekeringsarts op 19 oktober 1998 is de belastbaarheid van appellant beoordeeld. Bij dat onderzoek is vastgesteld dat de psychische belastbaarheid van appellant beperkt is. Verder zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van de belastbaarheid van de rug. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een belastbaarheidspatroon. Bij arbeidskundig onderzoek zijn functies voor appellant geselecteerd. Geconcludeerd is dat de mate van arbeidsongeschiktheid 15-25% is. Hiervan is bij besluit van 14 januari 1999 aan appellant mededeling gedaan. Naar aanleiding van het bezwaar tegen dit besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden een nader medisch onderzoek ingesteld naar de belastbaarheid van appellant. Deze arts heeft, blijkens haar rapport van 17 augustus 1999, mede op grond van inlichtingen van behandelende psychiaters, als haar oordeel gegeven dat de psychische belastbaarheid van appellant is overschat. Zij heeft vastgelegd dat appellant op het psychische vlak beperkt is ten aanzien van werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo, conflicterende functie-eisen, conflicthantering, verantwoordelijkheid en niet geschikt is voor wisselende diensten en nachtdiensten. De bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof heeft daarna als functies geselecteerd: printmonteur, medewerker stamperij en stikster. Hij heeft het verlies aan verdiencapaciteit nader berekend op 25-35%. Bij het bestreden besluit is dienovereenkomstig aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 1 maart 2000 wordt verlaagd naar de klasse 25-35%. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De Raad heeft naar aanleiding van de zitting op 11 februari 2003 aan de psychiater M.J. van Weers gevraagd als deskundige van verslag en advies te dienen. De deskundige heeft bij brief van 15 februari 2004 gerapporteerd omtrent de psychische belastbaarheid van appellant op 1 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.