02/3995 WAOCON U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 13 juni 2002 tussen partijen gewezen uitspraak (nr. AWB 01/722), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, antwoord gegeven op een vraag van de Raad, desgevraagd en spontaan, nadere stukken toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 mei 2004, waar appellante in persoon is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen F.G.E. Houtbeckers, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante was werkzaam als administratief medewerkster bij de Provincie Overijssel voor 22,8 uur per week, toen zij op 30 maart 1998 uitviel in verband met vermoeidheidsklachten. Gedaagde heeft haar bij besluit van 12 maart 1999 met ingang van 25 maart 1999 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een aantal eerdere verlagingen van de WAO-uitkering in verband met het gedeeltelijk hervatten van het eigen werk, heeft gedaagde bij besluit van 26 juli 1999 de WAO-uitkering met ingang van 5 juli 1999 ingetrokken omdat appellante vanaf laatstgenoemde datum een zodanig aantal uren had hervat in haar eigen werk dat van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake meer was. Naar aanleiding van een uitval tengevolge van dezelfde klachten heeft gedaagde appellante bij besluit van 8 oktober 2000 na een wachttijd van vier weken met ingang van 9 november 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 30 mei 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan het door de rechtbank in stand gelaten bestreden besluit ligt de opvatting van gedaagde ten grondslag dat appellante lijdt aan een chronisch vermoeidheid syndroom en dat zij tengevolge daarvan beperkingen ondervindt tot het verrichten van arbeid, waaronder een duurbeperking voor maximaal 24 uur per week. Met inachtneming van de voor haar geldende beperkingen is appellante volgens gedaagde niet meer in staat haar eigen werk te verrichten, maar nog wel een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het mediane loon van deze functies, afgezet tegen het maatmaninkomen leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van ruim 41%. Appellante kan zich niet verenigen met de voor haar vastgestelde duurbeperking voor 24 uur per week. Zij is van mening dat zij slechts tot 16 uur werken per week in staat is. De rechtbank heeft geen reden gezien om de bevindingen van de adviserend verzekeringsarts voor onjuist te houden en is tot deze conclusie gekomen op grond van de volgende overwegingen: " Gedurende de zitting bleek dat, mede op instigatie van de werkgever van eiseres, de bedrijfsarts A.M. van den Bosch op 18 december 2001 wederom een psychodiagnostisch onderzoek heeft gelast. Dit onderzoek, dat gedaan is door drs. G. Kraayenbrink (gezondheisdspsycholoog), heeft geleid tot een rapportage d.d. 8 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.