E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/1532 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Bij besluit van 3 februari 2000 heeft gedaagde aan appellant onder meer medegedeeld dat niet wordt voldaan aan zijn verzoek om terug te komen van de eerdere beslissing van 8 juli 1988, strekkende tot weigering van toekenning aan appellant per einde wachttijd van uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 december 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 30 januari 2002, reg.nr.: SBR 01/73, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Voorts heeft mr. Delescen een nader stuk ingezonden, wat heeft geleid tot reacties van partijen op elkaars standpunt. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2004, waar zoals voor de zitting is bericht, noch appellant, noch zijn gemachtigde zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen G.J. Samson, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij beslissing van 8 juli 1988 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om hem uitkeringen op grond van de AAW en de WAO toe te kennen onder overweging dat hij niet gedurende een periode van 52 weken vanaf zijn ziekmelding van 20 februari 1987 arbeidsongeschikt is geweest. Die beslissing is door een uitspraak van deze Raad van 11 november 1992 in rechte onaantastbaar geworden. Bij brief van 29 augustus 1999 heeft appellant verzocht hem opnieuw te keuren en een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 3 februari 2000 heeft gedaagde dit verzoek van appellant, voor zover hij daarmee bedoeld heeft om een verzoek te doen om terug te komen van deze beslissing, afgewezen op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, die daartoe aanleiding geven. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het door appellant ingediende bezwaar ongegrond verklaard, waarbij er kennelijk -en naar het oordeel van de Raad terecht- van is uitgegaan dat het bezwaar uitsluitend was gericht tegen de in het besluit van 3 februari 2000 vervatte weigering om terug te komen van de beslissing van 8 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.