02/819 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft D.J. Ansink, registeraccountant te Alkmaar, op bij het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 28 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/1237, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer Ansink, en waar gedaagde - zoals aangekondigd - niet is verschenen. II. MOTIVERING Appellante heeft sedert 1 december 1991 algemene bijstand ontvangen, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 4 juli 2000 heeft gedaagde de door appellante gemaakte bezwaren tegen: - het besluit van 30 juni 1999 betreffende de herziening van de uitkering van appellante over de periode van 1 december 1991 tot en met 31 januari 1996, en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 1994 tot en met 31 januari 1996 tot een bedrag van f 5.615,57, niet-ontvankelijk verklaard; - het besluit van 23 november 1999, inhoudende de afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand in de kosten van de belastingaanslag over 1995 tot een bedrag van f 1.678,--, ongegrond verklaard; - de in de brief van 5 januari 2000 vervatte mededeling dat gedaagde op het loon van appellante beslag heeft gelegd, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 4 juli 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad stelt allereerst ambtshalve vast dat appellante bij de rechtbank geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 4 juli 2000, voorzover daarbij het bezwaar van appellante tegen de brief van 5 januari 2000 niet-ontvankelijk is verklaard. Door zich hierover niettemin uit te laten heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad overweegt voorts als volgt. Met betrekking tot het besluit van 30 juni 1999 De bezwaren van appellante zijn onder meer gericht tegen de hoogte van het door gedaagde in het besluit van 30 juni 1999 vastgestelde terugvorderingsbedrag. Volgens appellante heeft gedaagde bij die vaststelling ten onrechte geen rekening gehouden met de belastingaanslag over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.