01/5651 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij brief van 28 juli 2000 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 4 oktober 2001 (AWB 00/6652) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 juni 2004 waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.H.J. de Kort, kantoorgenoot van mr. Oey voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.W. Tak, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante, die in het verleden produktiewerk via een uitzendbureau heeft verricht, heeft terzake van haar in maart 1990 wegens enkelklachten ingetreden arbeidsongeschiktheid tot 1 april 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ontvangen. Nadien heeft appelante zich verschillende keren onder meer wegens hartklachten vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld en dit heeft ertoe geleid dat zij laatstelijk tot 28 oktober 1997 uitkering ingevolge de WAO en de AAW heeft ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn met ingang van laatst vermelde datum ingetrokken, omdat appellante weer in staat werd geacht om functies te vervullen welke overeenkwamen met de ten aanzien van haar gestelde beperkingen. In een terzake uitgebracht verzekeringsgeneeskundig rapport van 26 juni 1997 wordt in dit verband melding gemaakt van precordiale pijn, angina pectoris, aspecifieke (lage) chronisch rugpijn en nog andere niet elders geclassificeerde klachten, met name overgewicht. Gelet op het in die functies te verdienen loon werd appellante destijds niet langer arbeidsongeschikt geacht. Appellante heeft zich op 20 november 1998, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, opnieuw met cardiale klachten ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is zij op 15 januari 1999 gezien door een verzekeringsarts, die na onderzoek en kennisneming van gegevens van de behandelende sector in zijn rapport van dezelfde datum concludeerde dat de medische toestand van appellante gelijk was aan die in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.