E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/2392 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2002, nr. 00/329, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brieven gedateerd 20 juni 2002 en 10 juli 2002 heeft appellant zijn situatie nader toegelicht. Gedaagde heeft van verweer gediend, waarop door appellant is gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juni 2004, waar appellant -met bericht van verhindering- niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Bij ongedateerde brief, door gedaagdes rechtsvoorganger het Gemeenschappelijk Administratiekantoor ontvangen op 29 maart 1995, heeft appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. Daarbij is aangegeven dat appellant, die de Turkse nationaliteit heeft, van juni 1979 tot en met mei 1982 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, waarna hij, ter vervulling van zijn militaire dienst, naar Turkije is vertrokken. Op 3 oktober 1987 heeft appellant aldaar een ongeluk gekregen, waarvoor hij twee maanden is gehospitaliseerd in het ziekenhuis te Aksaray. Vervolgens heeft gedaagde in april 1997 een aanvraag namens appellant via de Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK) bereikt. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, mede op basis van gegevens van het Turkse orgaan, heeft gedaagde bij primair besluit van 18 oktober 1999 de aanvraag om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afgewezen. Overwogen wordt dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, te weten 3 oktober 1987, noch voor de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) noch voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, verzekerd was. Blijkens het verslag van de hoorzitting van 17 december 1999 is door appellant gesteld dat hij in mei 1984 uit Nederland naar Turkije vertrokken is. Tot zijn vertrek heeft hij gewerkt in een glasfabriek. Uit die tijd dateren zijn hartklachten, die sindsdien zijn verergerd. Hij is vervolgens 20 maanden in dienst geweest. Op 3 oktober 1987 zou appellant een ongeluk met een vuurwapen hebben gehad, ten gevolge waarvan hij tot heden ten dage knieklachten ondervindt. Nadien heeft appellant naar zijn zeggen niet meer gewerkt en geen inkomen genoten. Bij besluit van 14 januari 2000, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 1999 ongegrond verklaard. Bij de in rubriek I genoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen, waarbij voor eiser moet worden gelezen appellant, en voor verweerder gedaagde: " De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling van het mogelijk recht op een AAW-uitkering allereerst de eerste dag van arbeidsongeschiktheid moet worden bepaald, en vervolgens moet worden vastgesteld of de betrokkene op die datum verzekerd was ingevolge de AAW. De rechtbank is van oordeel dat geen medische informatie voorhanden is om van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdatum uit te gaan dan 3 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.