E N K E L V O U D I G E K A M E R 01/6159 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Utrecht op 26 oktober 2001 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr. SBR 00/882), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend. Op 17 juni 2002 en op 5 mei 2004 zijn namens appellante aanvullende stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar namens appellante is verschenen mr. De Jong, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Florijn, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als caissière voor 13 tot 23 uur per week. Op 27 december 1999 heeft zij deze werkzaamheden gestaakt in verband met hoofdpijnklachten en stress. Op 27 februari 2000 is appellante op het spreekuur geweest van verzekeringsarts H. Stegeman. Deze heeft na onderzoek van appellante geconcludeerd dat geen objectiveerbare aandoeningen konden worden vastgesteld en dat appellante per 7 februari 2000 hersteld moet worden verklaard. Overeenkomstig dit advies heeft gedaagde bij besluit van 7 februari 2000 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 7 februari 2000 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn, na appellante op 21 maart 2000 op het spreekuur te hebben gezien, op 28 maart 2000 een rapport uitgebracht. Hierin is onder meer vermeld dat op neurologisch vlak geen afwijkingen zijn aangetoond, dat de hoofdpijn van appellante wordt geweten aan spanningsklachten en voorts dat appellante bij onderzoek geen evident gespannen indruk maakte en dat zij evenmin tekenen van depressie of psychische decompensatie vertoonde. Volgens Hagedoorn kon appellante in staat worden geacht om de weinig stresserende functie van caissière te vervullen, temeer daar zij deze werkzaamheden slechts part-time verrichtte. Los hiervan heeft Hagedoorn opgemerkt dat de beëindigingsdatum van de ZW-uitkering moet worden gesteld op 8 februari 2000, zijnde de dag volgend op de dag waarop het medisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Conform dit advies zijn bij besluit van 4 april 2000 (hierna: het bestreden besluit) de bezwaren van appellante in zoverre gegrond verklaard dat de ZW-uitkering van appellante wordt beëindigd met ingang van 8 februari 2000 in plaats van met ingang met 7 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.