02/6457 ZW + 02/6458 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is mr. O.Z.K. Bánki, advocaat te Deventer, op bij beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zwolle op 6 november 2002, nrs. WAO 00/9110 en ZW 01/361, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellante is in het geding 02/6457 ZW op 6 februari 2003 een nader stuk ingezonden. Gedaagde heeft in beide gedingen van verweer gediend. Bij brief van 10 maart 2003 heeft mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.H. Kiesouw, kantoorgenoot van mr. Aarnoudse, voornoemd, en waar gedaagde - zoals aangekondigd - niet is verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante is werkzaam geweest als inpakster via een uitzendbureau en is op 8 juni 1999 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten en psychische klachten. Nadat verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek had plaatsgevonden, heeft gedaagde bij besluit van 10 mei 2000 geweigerd om aan appellante met ingang van 6 juni 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Hierbij heeft gedaagde aangegeven dat appellante met passende werkzaamheden een dusdanig inkomen kan verwerven dat haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. Naar aanleiding van het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings, na appellante te hebben gehoord en dossierstudie te hebben verricht, op 23 oktober 2000 een rapport uitgebracht. De conclusie van dit rapport luidt dat de medische beperkingen van appellante in de primaire fase juist zijn vastgesteld. In dit verband heeft Geerlings onder meer verwezen naar een brief van de behandelend arts-assistent psychiatrie T. Moeniralam d.d. 6 april 2000 alsmede een brief van behandelend KNO-arts H. Jensma d.d. 10 oktober 2000. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 31 oktober 2000 de bezwaren tegen het besluit van 10 mei 2000 ongegrond verklaard. Vanaf 20 februari 2001 is appellante op uitzendbasis werkzaam geweest als productiemedewerkster. Per 1 maart 2001 heeft appellante zich ziek gemeld wegens hoofdpijnklachten, duizeligheid en flauwvallen. Op 22 augustus 2001 is appellante op het spreekuur geweest van verzekeringsarts R.J. Wolthuis, die haar per 27 augustus 2001 niet meer ongeschikt heeft geacht voor haar arbeid. Bij besluit van 22 augustus 2001 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 27 augustus 2001 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn op 5 november 2001 een rapport uitgebracht. In dat rapport is aangegeven dat ten opzichte van de eerdere beoordeling in het kader van de WAO geen sprake is van toegenomen medische beperkingen. Volgens bezwaarverzekeringsarts Hagedoorn is appellante terecht niet meer ongeschikt geacht voor haar arbeid, nu de desbetreffende werkzaamheden bij een vleesfabriek zowel in fysiek als in psychisch opzicht als zeer licht kunnen worden aangemerkt. Hierbij is vermeld dat de werkzaamheden uitsluitend bestonden uit het klaarzetten van bordjes waarop door een andere medewerker vlees werd neergelegd, dat appellante deze werkzaamheden naar eigen keuze zittend of staand kon verrichten en dat appellante hierbij ook zelf het tempo kon bepalen. Bij besluit van 21 november 2001 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 22 augustus 2001 ongegrond verklaard. In eerste aanleg heeft de rechtbank de psychiater M.H. Oeberius Kapteijn als deskundige geraadpleegd, die, na eigen onderzoek van appellante en dossierstudie, op 27 mei 2002 een rapport heeft uitgebracht. Oeberius Kapteijn heeft hierin als diagnose vermeld een matige dysthyme stoornis en als uitgestelde diagnose: theatrale trekken. Volgens Oeberius Kapteijn is appellante beperkt op de volgende onderdelen van aspect 28 van het formulier functie-informatiesysteem va/ad: A - werken onder tijdsdruk, B - dwingend werktempo, D - conflicterende functie-eisen, E - conflicthantering, H - verantwoordelijk-heid/afbreukrisico, I - lawaai en J - geen mogelijkheid tot contact. Hierbij heeft Oeberius Kapteijn vermeld dat de (ernst van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.