02/4716 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. W.P. Keulers, advocaat te Zoetermeer, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank ’s-Gravenhage onder kenmerk 00/9354 op 24 juli 2002 gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juli 2004, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich, daartoe opgeroepen, heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant is als voormalig bestuurder van [vennootschap] door gedaagde bij besluit van 20 november 1995 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor door die vennootschap over de jaren 1991 tot en met 1994 onbetaald gelaten premies werknemersverzekeringen tot een bedrag van fl. 309.770,13, waarin een bedrag van fl. 36.416,44 (€ 16.529,11) aan boetes is begrepen. Het daartegen vanwege appellant op 23 november 1995 ingediende bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 7 juli 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en de door appellant ten laste van het Uwv gevraagde schadevergoeding afgewezen. Appellant heeft in hoger beroep uitsluitend gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over (de gevolgen van) de overschrijding van de beslistermijn en de redelijke termijn gedurende de verlengde besluitvorming en in aanvulling aangevoerd dat de behandeling van het inleidend beroep (evenzeer) langer heeft geduurd dan uit het oogpunt van artikel 6, eerste lid van het Europees verdrag tot de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVrm) is toegelaten. Gedaagde erkent dat de behandeling van het bezwaarschrift te lang heeft geduurd en dat daarom sprake is van overschrijding van de in artikel 18b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) bedoelde beslistermijn en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVrm. Ook de rechtbank is tot die conclusie gekomen. Partijen verschillen echter over de aan die overschrijding van de termijnen te verbinden gevolgen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de in artikel 18b van de CSV bedoelde beslistermijn een termijn van orde is, zodat de enkele overschrijding daarvan geen aanleiding vormt voor vernietiging van het bestreden besluit. Met partijen en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de redelijke, in artikel 6 van het EVrm bedoelde termijn is overschreden. Deze termijn rekent in dit geval vanaf 20 c.q. 23 november 1995. Sedertdien zijn tot de dag van deze uitspraak bijna negen jaren verstreken. Met de behandeling van het bezwaarschrift was ruim 4½ jaar gemoeid. Deze lange afhandelingsduur wordt slechts voor een beperkt deel gerechtvaardigd door de samenhang met de vergelijkbare zaak van een eveneens aansprakelijk gestelde mede-bestuurder en het verband met een fiscaal geschil. Ook de schikkingsonderhandelingen die zich tot begin maart 1996 hebben uitgestrekt vormen onvoldoende verklaring, laat staan rechtvaardiging voor de lange termijn van de verlengde besluitvorming. De behandeling van het inleidend beroep heeft, vanaf de indiening van het inleidend beroepschrift op 17 augustus 2000, tot de dag van de verzending van de aangevallen uitspraak op 26 juli 2002, bijna twee jaren in beslag genomen. De beroepsgronden werden namens appellant op 1 oktober 2000 ingediend, het verweerschrift in eerste aanleg dateert van 14 november 2000. De zaak van appellant is gevoegd behandeld met de door de rechtbank Zutphen ex artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwezen zaak van een medebestuurder en de wisseling in de appellant rechtsbijstandverlenende personen heeft aanleiding gegeven tot een uitgebreide aanvulling van beroepsgronden kort voor de door de rechtbank op 29 januari 2002 gehouden zitting. Mede in aanmerking genomen de complexiteit van de zaak en de beschreven processuele verwikkelingen en voortgang, ziet de Raad, anders dan appellant heeft betoogd, onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de redelijke termijn van artikel 6 van het EVrm is geschonden, enkel vanwege de behandelingsduur van het inleidend beroep. De in het bedrag van de aansprakelijkstelling begrepen boete(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.