01/6032 NIOAW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 26 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 00/985 NIOAW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 5 juli 2004, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant en zijn echtgenote ontvingen onder meer in de jaren 1994 en 1995 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk werkloze werknemers (IOAW). In deze jaren heeft appellant inkomen ontvangen uit zelfstandige arbeid. Bij besluit van 9 maart 1998 heeft gedaagde aan de hand van de door appellant verstrekte financiële jaarstukken het inkomen van appellant over 1994 en 1995 vastgesteld, dit inkomen in mindering gebracht op het bedrag van de verleende IOAW-uitkeringen, en de teveel betaalde uitkering van appellant en zijn echtgenote teruggevorderd. Appellant heeft tegen het besluit van 9 maart 1998 bezwaar gemaakt, omdat bij de berekening van zijn inkomen naar zijn mening ten onrechte de bijtelling voor het privé-gebruik van de auto en de bijtelling wegens aftrekbeperking kantoor en kantoorinventaris (hierna: bijtelling aftrekbeperking kantoorkosten) zijn meegenomen, en voorts omdat de vermogens- en de investeringsaftrek ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Aan de hand van nadere door appellant verstrekte gegevens heeft gedaagde, alsnog rekening houdend met de bijtelling aftrekbeperking kantoorkosten en met de twee hiervoor genoemde aftrekposten, bij besluit op bezwaar van 29 september 1998 het inkomen over de jaren 1994 en 1995 berekend op een hoger bedrag, doch het bedrag van de terugvordering ongewijzigd gelaten. Bij uitspraak van 4 mei 2000 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 september 1998 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat gedaagde het voordeel verbonden aan het privé-gebruik van de auto ten onrechte ten volle bij de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen heeft betrokken. Uitvoering gevend aan deze uitspraak, heeft gedaagde op 13 juni 2000 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de bijtelling voor het privé-gebruik van de auto slechts gedeeltelijk bij de vaststelling van het inkomen is meegenomen en het bedrag van de terugvordering is verlaagd. In beroep tegen het besluit van 13 juni 2000 heeft appellant aangevoerd dat gedaagde de bijtelling aftrekbeperking kantoorkosten ten onrechte heeft gehandhaafd en dat gedaagde de terugvordering ten onrechte mede heeft gebaseerd op artikel 25a, eerste lid, aanhef en onder c (oud), van de IOAW. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het tegen het besluit van 13 juni 2000 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover het betreft de grief tegen de bijtelling aftrekbeperking kantoorkosten, het beroep tegen de wettelijke grondslag van de terugvordering gegrond verklaard, het besluit van 13 juni 2000 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard en voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 13 juni 2000 in stand blijven. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring De niet-ontvankelijkverklaring berust op het oordeel van de rechtbank dat appellant in de uitspraak van 4 mei 2000 heeft berust, dat de in die uitspraak niet behandelde beroepsgrond inzake bijtelling aftrekbeperking kantoorkosten niet langer deel uitmaakt van het geschil tussen partijen en niet geacht wordt deel uit te maken van het thans bestreden besluit. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank niet. In een situatie waarin in beroep door een belanghebbende uitdrukkelijk twee beroepsgronden zijn aangevoerd en waarin de rechtbank na beoordeling van de eerste beroepsgrond tot de conclusie komt dat het bestreden besluit geen stand kan houden, het beroep reeds deswege gegrond verklaart, dat besluit vernietigt en het bestuursorgaan opdraagt een nieuw besluit op bezwaar te nemen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat van de belanghebbende in redelijkheid mag worden verwacht hoger beroep in te stellen tegen de niet bespreking van de andere beroepsgrond. Dit te minder nu de rechtbank - terecht - niet heeft overwogen dat het beroep beperkt was tot de kwestie van het in aanmerking nemen van het voordeel verbonden aan het privé-gebruik van de auto. De bijtelling aftrekbeperking kantoorkosten maakt wel degelijk deel uit van de nadere vaststelling van het inkomen, neergelegd in het besluit van 13 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.