E N K E L V O U D E K A M E R 02/1513 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 19 april 2001 heeft gedaagde appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren tegen het besluit van 29 augustus 2000, waarbij Ernst & Young Interimmanagement B.V. te Maarssen (hierna: Ernst & Young) is medegedeeld dat de voor haar in de periode van 15 december 1999 tot 1 september 2000 werkzame G.J. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) verplicht verzekerd is voor de sociale werknemersverzekeringswetten en zij deswege premies ingevolge deze wetten dient af te dragen over de aan hem verrichte betalingen. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 24 januari 2002, registratienummer: 01/935, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante is bij gemachtigde mr. R.Ph. de Quay, advocaat te Nijmegen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 2 mei 2002, ingediend. Bij brief van 3 juni 2002 heeft mr. De Quay de Raad doen toekomen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 mei 2002, registratienummer: 01/993, waarbij het beroep van Ernst & Young tegen een besluit van eveneens 19 april 2002, strekkende tot ongegrondverklaring van haar bezwaren tegen voormeld besluit van 29 augustus 2000, gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juni 2004, waar appellante, zoals aangekondigd, zich niet heeft doen vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bestuurder en enig aandeelhouder van appellante is [B.V. X]. Van deze vennootschap is [betrokkene] enig aandeelhouder en bestuurder. Appellante heeft op 16 december 1999 een overeenkomst van opdracht gesloten met Ernst & Young, inhoudende dat [betrokkene] een door Ernst &Young verkregen opdracht zal uitvoeren in de periode van 15 december 1999 tot 1 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.