E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5391 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4, en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellant is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift van 28 oktober 2003 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 20 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 24 december 2003 van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli 2004, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Blom, voornoemd, terwijl gedaagde met voorafgaand schriftelijk bericht niet is verschenen. II. MOTIVERING Appellante die de Nederlandse nationaliteit heeft, is op 12 augustus 2001 met haar twee kinderen vanuit de Nederlandse Antillen naar Nederland gekomen. Per 4 oktober 2001 ontvangt appellante een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en sedert 8 november 2001 woont zij met haar kinderen bij haar moeder. Gedaagde heeft bij besluit van 19 maart 2002 afwijzend beslist op appellantes aanvraag om toekenning van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2002. Bij besluit van 26 juli 2002 heeft gedaagde appellante met ingang van het vierde kwartaal 2002 kinderbijslag toegekend omdat appellante vanaf 5 juli 2002 beschikt over zelfstandige woonruimte en al geruime tijd een uitkering ontvangt. Appellante maakt tegen dit besluit bezwaar omdat zij van mening is dat zij sedert 1 januari 2002 aanspraak heeft op kinderbijslag. Gedaagde heeft het besluit van 26 juli 2002 bij het bestreden besluit van 4 november 2002 gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde onder verwijzing naar het besluit van 19 maart 2002 het bezwaar ten aanzien van het eerste kwartaal 2002 wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van het tweede en derde kwartaal 2002 is overwogen dat er gelet op het geheel van de omstandigheden onvoldoende grond is om appellante op de peildata als ingezetene van Nederland aan te merken en dat zij derhalve niet verzekerd is ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante het hoger beroep voorzover het ziet op het eerste kwartaal 2002 ingetrokken en het punt van geschil beperkt tot de vraag of er ten aanzien van het tweede en derde kwartaal sprake is van ingezetenschap. De Raad overweegt ten aanzien van appellantes aanspraak op kinderbijslag als volgt. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.