01/3485 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2001, nummer WW 00/2302 LAME, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 2004, waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. H.J. van Werven, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Gedaagde heeft aan appellante met ingang van 2 mei 1994 een uitkering ingevolgde de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Appellante heeft gedurende diverse periodes ziekengeld genoten, al dan niet in verband met bevalling als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet zoals dat artikel destijds luidde. Gedurende deze periodes had zij geen recht op uitkering ingevolge de WW. Na afloop ervan herleefde dit recht. Bij besluit van 22 mei 2000 heeft gedaagde appellante na een nieuwe periode van arbeidsongeschiktheid uitkering ingevolge de WW geweigerd onder overweging dat appellantes recht op deze uitkering op 8 februari 1999 is geëindigd. Gedaagde heeft op grond van de ten tijde hier van belang geldende regelgeving bij de vaststelling van de einddatum van appellantes werkloosheidsuitkering de uitkeringsduur verlengd met de periodes waarin aan appellante ziekengeld is toegekend, waarbij de tijdvakken waarin zij op grond van artikel 29a van de ZW ziekengeld in verband met bevalling ontving, steeds geheel in aanmerking zijn genomen en de overige periodes slechts voorzover deze langer duurden dan drie maanden. Namens appellante is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is aangevoerd dat niet alleen de tijdvakken waarin appellante ziekengeld in verband met bevalling genoot, maar ook de daarop aansluitende periodes waarin zij arbeids- ongeschikt was ten gevolge van zwangerschap en bevalling geheel in aanmerking dienen te worden genomen bij de berekening van de duur van haar werkloosheidsuitkering. Bij het bestreden besluit van 29 september 2000 heeft gedaagde appellantes bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat haar recht op uitkering ingevolge de WW eindigde op 11 februari 2000 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd, doch de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Appellantes hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. In hoger beroep heeft appellantes gemachtigde in de eerste plaats opgemerkt dat de rechtbank ten onrechte als haar oordeel heeft gegeven dat niet zou zijn aangetoond dat in bepaalde periodes sprake was van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap en bevalling. De Raad kan de gemachtigde daarin niet volgen. Hij merkt op dat de rechtbank expliciet heeft daargelaten of kan worden aangenomen dat appellante daadwerkelijk ten gevolge van zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is geworden en slechts terzijde heeft opgemerkt dat appellante haar stelling daaromtrent niet op enige wijze met stukken heeft onderbouwd. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of periodes van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap of bevalling volgend op een tijdvak waarin appellante ziekengeld in verband met bevalling ontving, terecht bij de vaststelling van de einddatum van appellantes werkloosheidsuitkering slechts in beschouwing zijn genomen voorzover zij langer duurden dan drie maanden. Appellantes gemachtigde stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat het niet geheel meetellen van deze periodes leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen mannen en vrouwen, nu dit nadeel slechts vrouwen kan treffen. Hij heeft daarbij verwezen naar artikel 4, eerste lid, van EG-Richtlijn 79/7 (hierna: Rl 79/7), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 11, tweede lid, onder b, van het VN-Vrouwenverdrag, artikel 8 van het Europees Sociaal Handvest en naar ILO-conventie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.