E N K E L V O U D I G E K A M E R 01/4309 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 29 mei 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het door appellant ingestelde bezwaar tegen een besluit van 16 maart 2000 ongegrond verklaard, waarbij het standpunt is ingenomen dat aan appellant met ingang van 17 maart 2000 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) meer wordt toegekend omdat hij op en na die datum niet (meer) ongeschikt word geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 21 juni 2001 (reg.nr.: 00/1110) het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant heet mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, tegen deze uitspraak op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 26 mei 2003 is namens appellant een rapport, gedateerd februari 2003, van psychotherapeut drs. A.J. Oortwijn overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 juni 2003, waar voor appellant is verschenen mr. Zouwen voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.J.J. Loontjens, werkzaam bij het Uwv. Na de behandeling van het geding is gebleken dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten om het onderzoek te heropenen. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 11 juli 2003 een rapport d.d. 3 juni 2003 van de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff in het geding gebracht. Op verzoek van de Raad heeft psychiater prof.dr. P.P.G. Hodiamont appellant onderzocht en op 1 december 2003 van verslag en advies gediend omtrent de gezondheidstoestand van appellant. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 17 december 2003 gereageerd op de inhoud van bovenvermeld rapport. Daarbij is een rapport d.d. 5 december 2003 van de bezwaarverzekeringsarts Van Hooff overgelegd. Op verzoek van de Raad heeft psychiater Hodiamont, voornoemd, bij brief van 6 februari 2004 gereageerd op de inhoud van bovengenoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Bij brief van 12 februari 2004 heeft gedaagde een nader commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van Hooff overgelegd op bovengenoemd schrijven. Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten. II. MOTIVERING In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het bestreden besluit, dat is gebaseerd op artikel 19 van de ZW, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoord deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend. Daartoe is als volgt overwogen. De Raad heeft bij zijn oordeelsvorming doorslaggevende betekenis toegekend aan het advies van de deskundige prof. dr. P.P.G. Hodiamont, zenuwarts-psychotherapeut te Tilburg, als vervat in zijn rapport van 2 december 2003 en aanvullend rapport van 6 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.