E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/5798 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij brief van 12 juni 2001 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (hierna: het bestreden besluit). De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 8 oktober 2002 (reg.nr. 01/769 ZW K1) het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Namens appellant is mr. R.C. van der Weele, advocaat te Helmond, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 30 juni 2004 en 1 juli 2004 zijn namens appellant nadere stukken ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 juli 2004, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Van der Weele, voornoemd, en waar namens het Uwv mr. J.H. Nuyens is verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is op 11 april 2000 uitgevallen voor zijn functie balkman in de wegenbouw vanwege thoracale klachten en pijnklachten. Deze klachten heeft appellant dan al reeds enkele jaren, waarvoor hij door verschillende specialisten is onderzocht. Met ingang van 20 september 2000 is zijn arbeidscontract van rechtswege beëindigd en heeft appellant een uitkering aangevraagd krachtens de Ziektewet. Op 26 oktober 2000 is appellant onderzocht door verzekeringsarts J. Aarts, deze is van mening dat er sprake is van een pijnsyndroom zonder medisch objectiveerbare afwijkingen en acht appellant geschikt voor zijn werk als balkman. Bij besluit van 27 oktober 2000 is vervolgens aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van diezelfde datum geen recht (meer) heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet. In verband met het bezwaar tegen voornoemd besluit is appellant vervolgens onderzocht door bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer. Deze is evenals de verzekeringsarts van mening dat de informatie van huisarts Rietjens, oud-chirurg Lim en fysiotherapeut Lenaerts geen verklaring geven voor de klachten van appellant en dat op basis van deze informatie niet gesteld kan worden dat er sprake is van een afname van de belastbaarheid die voortkomt uit een medisch te objectiveerbare afwijking. De brief van orthopeed J.L.A. Fabry van 9 oktober 2001 geeft volgens de bezwaarverzekeringsarts een zeer beperkte afwijking aan. De rechtbank heeft aanleiding gezien om orthopedisch chirurg A.J. Tonino te benoemen als deskundige. Deze komt in zijn rapport van 25 januari 2002 tot de volgende conclusie: " Het is duidelijk dat er een zeer sterkte discrepantie tussen het disfunctioneren en de klachten die betrokkene aangeeft en het bij herhaling niet medisch is te objectiveren afwijkingen of klachten. Ik moet dan ook tot de conclusie komen op grond van mijn eigen onderzoek bij betrokkene, mede ook met de in het dossier voorhanden gegevens en bij de behandelende sector ingewonnen inlichtingen, dat ik mij kan verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts J.H.M. de Brouwer, (….) Tevens kan ik mij verenigen met het standpunt van het bestuur van het Landelijke instituut sociale verzekeringen dat betrokkene op en na 27 oktober 2000 in staat moest worden geacht tot het regelmatig (zonder extreem ziekteverzuim) verrichten van de aan zijn voormalige functie van balkman in de wegenbouw verbonden werkzaamheden. Onderzoek door andere deskundigen acht ik niet noodzakelijk." Appellant heeft vervolgens in eerste aanleg een brief van 14 augustus 2002 van reumatologe A. Boonen overlegd. Volgens Boonen passen de klachten van appellant bij een chronisch onverklaard pijnsyndroom met chronische vermoeidheid, voorheen volgens haar ook wel het fibromyalgiesyndroom genoemd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat ook het rapport van Boonen het naar voren gebracht onvermogen van appellant niet objectiveert en dat zijn onvermogen ook niet op een andere wijze is geobjectiveerd, bijvoorbeeld met behulp van een inzichtelijk en logisch samenhangend deskundigen-rapport. Namens appellant is in hoger aangevoerd dat de geraadpleegde medici allen van oordeel zijn dat de pijnklachten van appellant reëel zijn. Dat de klachten van appellant niet objectiveerbaar zijn wil volgens appellant niet zeggen dat zijn klachten niet tot gevolg kunnen hebben dat hij uitvalt voor zijn werk. Appellant verwijst naar de aanvullende brief van reumatologe Boonen van 29 oktober 2002 en de brief van S.I.I. Hendrix, arts-assistent revalidatie, van 10 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.