02/1419 + 02/1420 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. P. de Casparis hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 januari 2002, nummers 00/822 WAO en 00/1030 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 juli 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot], en waar namens gedaagde is verschenen mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Na tot maart of mei 1996 - de stukken bieden op dit punt geen volstrekte duidelijkheid - werkzaam te zijn geweest als leerlingverpleegster meldde appellante, die op dat moment een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW), zich op 4 januari 1997 ziek met zwangerschapsgerelateerde klachten. Met ingang van 3 januari 1998 werd zij door gedaagde in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 15 september 1998 heeft gedaagde die uitkering met ingang van 7 september 1998 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was. Het hiertegen namens appellante door mr. A.A.M. van der Zandt, regiojurist bij ABVAKABO, op 16 oktober 1998 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 23 maart 2000, hierna: het bestreden besluit 1, ongegrond verklaard. Appellante heeft zich met ingang van 1 januari 1999 wederom ziek gemeld met bekkenproblemen. Zij is hierop door gedaagde in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 9 december 1999 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij met ingang van 1 november 1999 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Gedaagde heeft vastgesteld dat er, in vergelijking met de beperkingen die bij de laatste WAO-beoordeling zijn vastgesteld, geen sprake is van toegenomen beperkingen per 1 januari 1999 en heeft daaruit geconcludeerd dat appellante nog steeds in dezelfde mate geschikt is om gangbare arbeid te verrichten. Bij besluit van 14 januari 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen, onder overweging dat zij niet gedurende een periode van 52 weken vanaf 1 januari 1999 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. De tegen deze besluiten door appellante en mr. Van der Zandt, voornoemd, ingediende bezwaren d.dis 12 december 1999 respectievelijk 23 februari 2000 heeft gedaagde bij besluit van 25 april 2000, hierna: het bestreden besluit 2, ongegrond verklaard. Bij de voornoemde uitspraak heeft de rechtbank Arnhem de door mr. Van der Zandt d.dis 3 mei 2000 en 6 juni 2000 ingestelde beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel omtrent de bestreden besluiten 1 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.