03/74 AW en 03/452 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (België), appellante, en 1. de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Maastricht 2. het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht, gedaagden. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellante is op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 25 november 2002, nr. AWB 02/224 AW EV onderscheidenlijk nrs. AWB 00/923 AW EV en AWB 02/624 AW EV, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens ieder van gedaagden is een verweerschrift ingediend. Namens appellante en gedaagde sub 2 zijn nadere stukken ingezonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 8 juli 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kara, advocaat te Maastricht. Gedaagde sub 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ch.M.E.M. Paulussen, advocaat te Maastricht, en door R. Olivers, werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Gedaagde sub 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Peters, werkzaam bij de Universiteit Maastricht. Ter zitting is op verzoek van appellante als getuige gehoord [getuige 1], arbeidsjurist bij de Orde van Medisch Specialisten, wonende te [woonplaats 2]. Op verzoek van gedaagde sub 1 is als getuige gehoord [getuige 2], dermatoloog bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht, wonende te [woonplaats] (België). II. MOTIVERING 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellante is dermatoloog en was per 1 mei 1996 als universitair docent aangesteld voor vijf jaar bij de Universiteit Maastricht (UM). Als zodanig verrichtte zij ook werk-zaamheden bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM). In februari 1997 en wederom in februari 1998 is gebleken van problemen rond het functioneren van appellante binnen de vakgroep Dermatologie. Dit heeft ertoe geleid dat zij met ingang van 14 april 1998 is geplaatst in het Medisch Centrum Annadal, een bij het AZM behorende doch op afstand van het academisch ziekenhuis gevestigde polikliniek. Op 11 januari 1999 heeft appellante zich ziek gemeld en op 29 april 1999 is zij met zwangerschapsverlof gegaan. Na ommekomst van dit verlof zijn problemen gerezen omtrent haar terugkeer en per 1 november 1999 is aan appellante buitengewoon verlof verleend met behoud van salaris. Inmiddels is appellante ontslagen. 1.2. In het verleden was het medisch specialisten, werkzaam in een academisch zieken-huis zoals het AZM, toegestaan voor eigen rekening patiënten te behandelen met gebruikmaking van de faciliteiten van het ziekenhuis. Voor de financiële afwikkeling van deze praktijkuitoefening bestond een systeem van verrekening op privaatrechtelijke grondslag, de zogeheten SCIR-regeling. Er werd evenwel gestreefd naar verambtelijking van (ook) dit onderdeel van de beroepsuitoefening van de academische specialisten. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft, vooruitlopend daarop, omstreeks 1997 de zogeheten AM-operatie plaatsgevonden. Dit was een herschikking van dienstbetrek-kingen, in het kader waarvan de meeste Maastrichtse academische specialisten zowel bij het AZM als bij de UM in deeltijd zijn aangesteld naar rato van - globaal gesproken - de feitelijke verdeling van hun werkzaamheden. Op 7 april 1999 hebben de belangen-verenigingen van academische ziekenhuizen en medische specialisten het Onderhan-delaarsakkoord honorering medische specialisten gesloten, waarin zij als werkgevers en werknemers een regeling voor de overgang van private naar ambtelijke praktijkuit-oefening en voor de arbeidsvoorwaarden na die verambtelijking (de zogenoemde honoreringsregeling) zijn overeengekomen. In dit akkoord was onder meer bepaald dat medisch specialisten die aan nader genoemde voorwaarden voldoen maar alleen een universitaire aanstelling hebben de gelegenheid zullen krijgen om op grond van het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen (RRAZ) aangesteld te worden bij het academisch ziekenhuis. Ter uitvoering van het Onderhandelaarsakkoord is het RRAZ met ingang van 1 juni 1999 gewijzigd. 1.3. Appellante is niet in de AM-operatie betrokken. Evenmin heeft gedaagde sub 1 haar de gelegenheid geboden om overeenkomstig het bepaalde in het Onderhandelaarsakkoord bij het AZM in dienst te treden. 1.4. Bij brief van 18 april 2000 heeft de toenmalige raadsvrouwe van appellante gedaagde sub 1 verzocht om appellante alsnog met terugwerkende kracht tot 1 juni 1999 aan te stellen als medisch specialist bij het AZM. Dit verzoek is bij besluit van 21 juni 2000 afgewezen. Bij het bestreden besluit van 28 december 2001 heeft gedaagde sub 1 het hiertegen gerichte bezwaar van appellante niet-ontvankelijk althans ongegrond verklaard. 1.5. Eveneens bij brief van 18 april 2000 heeft de toenmalige raadsvrouwe van appellante gedaagde sub 2 verzocht om, mede gezien het vervallen van de SCIR-toelage, aan appellante een per 1 juni 1999 gewijzigd aanstellingsbesluit te doen toekomen met vermelding van de daarbij behorende honorering. Dit verzoek is bij besluit van 7 juli 2000 afgewezen. Bij het bestreden besluit van 20 maart 2002 heeft gedaagde sub 2 het hiertegen gerichte bezwaar van appellante primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. 1.6. Bij de aangevallen uitspraak in zaak 02/224 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van gedaagde sub 1 van 28 december 2001 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juni 2000 ongegrond te verklaren. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. 1.7. Bij de aangevallen uitspraak in zaak 02/624 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van gedaagde sub 2 van 20 maart 2002 ongegrond verklaard. 1.7.1. De uitspraak van de rechtbank inzake het ontslag (de gevoegde zaak 00/923) is niet in hoger beroep aangevochten. Het ontslag is thans dus niet aan de orde. 2. De ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de weigering van gedaagde sub 1 om appellante aan te stellen bij het AZM. 2.1. Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld - en gezien artikel 7:1 van die wet kan dus ook geen bezwaar worden gemaakt - tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door, voor zover hier van belang, een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig. Hetzelfde heeft te gelden voor de weigering om te benoemen of aan te stellen. 2.2. Volgens vaste jurisprudentie wordt een ambtenaar bij een bepaalde overheidswerk-gever (in dit geval de UM) in het algemeen niet in de door artikel 8:4, onder d, van de Awb geëiste hoedanigheid van ambtenaar getroffen door de weigering hem of haar te benoemen in een functie bij een andere overheidswerkgever (in dit geval het AZM). Dit kan onder zeer bijzondere omstandigheden anders zijn, met name indien sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bestreden besluit en het ambtenaarschap (CRvB 13 februari 1992, TAR 1992, 71 en CRvB 21 oktober 1999, AB 2000, 42). 2.3. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval een voldoende rechtstreeks verband tussen het reeds bestaande ambtenaarschap en de gewenste benoeming aan te wijzen. Weliswaar zijn (de medische faculteit van) de UM en het AZM juridisch van elkaar te onderscheiden entiteiten, doch hun activiteiten zijn in de praktijk nauw verweven. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante, mits zij voldoet aan de overigens gestelde voorwaarden, enkel op grond van haar hoedanigheid van ambtenaar bij de UM jegens gedaagde sub 1 aanspraak kan maken op een aanstelling als medisch specialist bij het AZM. Tevens moet als vaststaand worden aangenomen dat gehele of gedeeltelijke overgang van de dienstbetrekking bij de UM naar een dienstbetrekking bij het AZM op zichzelf niet gepaard zou gaan met een wijziging in de aard van de feitelijke werkzaam-heden dan wel in de plaats waar of de omstandigheden waaronder deze moeten worden verricht. 2.4. Mitsdien heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb niet aan de ontvankelijkheid van het bezwaar van appellante in de weg stond. 3. De weigering van gedaagde sub 1 om appellante aan te stellen bij het AZM, ten gronde. 3.1. Tot de voorwaarden om te worden aangemerkt als medisch specialist in de zin van de honoreringsregeling - en daarmee als ambtenaar van de UM in aanmerking te komen voor een dienstverband bij het AZM - behoort dat uit de aanstelling blijkt dat de betrokkene is aangesteld voor tenminste gemiddeld 20 uur (of zoveel meer als voor herregistratie en accreditatie volgens de voor zijn specialisme geldende normen vereist
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.