E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/2348 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid. Namens appellant heeft mr. M.J. Smit, advocaat te ’s-Gravenhage, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 maart 2002, reg.nr. 01/2066 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Tevens heeft appellant de Raad nog nadere stukken doen toekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juli 2004, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. Smit, en waar gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING Voor een weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar het besluit op bezwaar van 20 april 2001 en naar de uitspraak van de rechtbank. In geschil is het antwoord op de vraag of gedaagde bij de toekenning van de uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), zoals is vastgesteld bij besluit van 10 november 2000 en is gehandhaafd bij besluit van 20 april 2001, terecht de ingangsdatum heeft vastgesteld op 29 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.