E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/3124 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Bij besluit van 12 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang van het derde kwartaal van 2001 recht op kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontzegd. Op 9 april 2002 heeft appellant zich tot gedaagde gewend, waarna gedaagde bij besluit van 21 mei 2002 appellant wederom met ingang van het derde kwartaal van 2001 aanspraak op kinderbijslag heeft ontzegd. Het bezwaar dat appellant tegen dat besluit heeft gemaakt, heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 12 augustus 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 9 mei 2003, geregistreerd onder nr. AKW 02/2233, het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft appellant bij gemachtigde mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli 2004, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: " In het derde kwartaal van 2001 behoorden de kinderen voor wie eiser kinderbijslag ontving niet tot zijn huishouden. De kinderen woonden in Marokko bij hun moeder, de vrouw van eiser, en eiser verbleef minder dan drie maanden per jaar bij zijn gezin in Marokko. Volgens het beleid van verweerder moet in een dergelijk geval op een eenvoudig te controleren wijze worden aangetoond dat eiser per kwartaal een bijdrage van minimaal f 791,-- per kind levert in het levensonderhoud van zijn kinderen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aan deze plicht heeft voldaan. Weliswaar heeft eiser bewijsstukken van betalingen overgelegd, doch deze zijn niet gesteld ten name van zijn vrouw – de verzorgster van de kinderen – maar ten name van een zoon van eiser, [naam zoon]. Nu niet is te controleren of het geld daadwerkelijk de verzorgster van de kinderen heeft bereikt, is niet te aangetoond dat eiser de minimaal vereiste bijdrage heeft geleverd in het levensonderhoud van zijn kinderen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit beleid, dat is vastgesteld bij besluit van 24 april 2000 en is ingevoerd met ingang van juli 2001, correct is medegedeeld. Van het besluit is mededeling gedaan in de Staatscourant en de beleidsregels zelf zijn ter inzage gelegd op de kantoren van verweerder. Voorts heeft verweerder op 1 december 2000 per brief aan betrokkenen laten weten dat het beleid veranderd is." Bij besluit van 21 mei 2002 heeft gedaagde wederom met ingang van het derde kwartaal van 2001 aanspraak op kinderbijslag ontzegd, welk besluit na bezwaar bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Met betrekking tot die besluitvorming heeft de rechtbank heeft overwogen dat deze een weigering terug te komen van het besluit van 12 oktober 2001 behelst. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van eerder genoemde beslissing van 12 oktober 2001 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vermeld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat de afwijzing door gedaagde van het verzoek van appellant de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Namens appellant is in hoger beroep, samengevat weergegeven, betoogd dat hij het besluit van 12 oktober 2001 nimmer heeft ontvangen en derhalve de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte slechts beperkt heeft getoetst. Voorts is van de kant van appellant op de in het hoger beroepschrift geformuleerde gronden staande gehouden dat hij aanspraak had op kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.