02/2933 NABW 02/2934 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats], en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellendoorn, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellanten heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 april 2002, reg.nr. 01/775 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 22 juni 2004, waar voor appellanten is verschenen mr. Krauth en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.H.P. Wennemers, werkzaam bij de gemeente Hellendoorn. II. MOTIVERING Appellanten ontvingen sedert 1 januari 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de gehuwdennorm. Tevens is hen over maart 2000 bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van kinderopvang tot een bedrag van f 26,--. Bij besluit van 5 juni 2000 is de bijstandsuitkering met ingang van 1 juni 2000 beëindigd wegens toereikende inkomsten uit arbeid. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Na onderzoek door de Sociale Recherche van de gemeente Almelo, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 7 juli 2000 met bijlagen, heeft gedaagde bij besluit van 20 december 2000 het recht op bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot 1 juni 2000 tot een bedrag van f 13.681,23 van hen teruggevorderd. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat appellant tijdens genoemde periode werkzaamheden heeft verricht bij [naam winkel] (hierna: [winkel]) en daaruit inkomsten heeft ontvangen zonder daarvan mededeling te doen aan gedaagde. Bij besluit van 16 augustus 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 20 december 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat appellant werkzaamheden heeft verricht en daarvoor inkomsten heeft ontvangen dan wel had kunnen verkrijgen om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 augustus 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellanten het oordeel van de rechtbank bestreden. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat de door appellant verrichte werkzaamheden moeten worden gezien als vrijwillerswerk waarvan geen melding behoefde te worden gemaakt, dat overigens reeds bij gedaagde bekend was dat appellant vrijwillerswerk verrichtte, dat appellanten bij hun verhoor niet de cautie is gegeven en dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante voor de terugbetaling van de bijstand in strijd is met Europese regelgeving inzake persoonlijkheidsrechten. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt eerst vast dat de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche, waarvan met name de door appellanten zelf afgelegde verklaringen, voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant gedurende de gehele periode in geding dagelijks tijdens de normale arbeidsuren ten behoeve van [winkel] werkzaamheden heeft verricht als monteur en verkoopmedewerker. Verder blijkt uit de stukken dat appellant tijdens het verhoor door de Sociale Recherche heeft verklaard dat de eigenaar van [winkel] hem geen normaal loon kon betalen maar dat deze hem soms in natura heeft uitbetaald. Naar vaste rechtspraak van de Raad moet voor de toepassing van de Abw bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in beginsel worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit werkelijk worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen is ruimte indien vaststaat dat de betrokkene aanspraak kan doen gelden op een bepaalde honorering, bijvoorbeeld ingevolge een geldende collectieve arbeidsovereenkomst of op basis van de Wet op het minimumloon en –vakantiebijslag, en hij die ten onrechte niet ontvangt, als de hoogte van de ontvangen inkomsten niet kan worden vastgesteld, of als tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo’n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake is. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 17 oktober 2000 en 17 april 2001, onder meer gepubliceerd in JABW 2000/174 respectievelijk JABW 2001/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.