02/5230 ZW 02/5231 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraken van de rechtbank Maastricht van 26 september 2002, nrs. AWB 2001/1283 WAO Z en AWB 2002/215 ZW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft verweerschriften ingediend. Namens appellant zijn op 3 november 2003 en 3 juni 2004 nadere stukken in geding gebracht. Gedaagde heeft bij brief van 24 november 2003 een reactie toegezonden. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 16 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Dohmen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Arets, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant ontving een bijstandsuitkering toen hij per 31 december 1997 als conciërge op een basisschool ging werken via Maecon-WIW. Hij meldde zich op 4 mei 2000 ziek met rug-, nek- en schouderklachten, alsmede met psychische klachten. Bij besluit van 12 april 2001 weigerde gedaagde appellant na afloop van de wachttijd van 52 weken op 2 mei 2001 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat er op 3 mei 2001 bij appellant geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit. Aan dit besluit lag de overweging ten grondslag dat appellant niet langer geschikt was tot het verrichten van zijn arbeid als conciërge, maar dat appellant wel in staat was gangbare arbeid te verrichten, waarmee hij tenminste zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Gedaagde verklaarde bij besluit van 14 september 2001 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2001 ongegrond. Appellant meldde zich vervolgens op 17 september 2001 wederom ziek met dezelfde klachten. Gedaagde weigerde bij besluit van 1 november 2001 met ingang van diezelfde dag uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Op 7 november 2001 meldde appellant zich aan het loket met de mededeling dat hij niet kon hervatten. Hij werd gezien door een verzekeringsarts, waarna bij beslissing van 8 november 2001 nogmaals met ingang van 1 november 2001 ZW-uitkering werd geweigerd. De bezwaarschriften tegen de beslissingen van 1 en 8 november 2001 verklaarde gedaagde bij besluit van 17 januari 2002 (bestreden besluit 2) ongegrond. De rechtbank verklaarde bij de thans aangevallen uitspraken de beroepen tegen beide bestreden besluiten ongegrond. In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen, die zowel van lichamelijke als van psychische aard zijn. Tevens heeft in de visie van appellant de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij de geduide functies kan vervullen en is de rechtbank onvoldoende gemotiveerd aan zijn verzoek om een neuropsycholoog te benoemen voorbij gegaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant nog nader voren gebracht dat appellant ten onrechte niet is gehoord tijdens de bezwaarprocedure in het kader van het WAO-besluit. De Raad overweegt in de WAO-zaak als volgt. Allereerst zal de Raad zich buigen over de grief dat appellant ten onrechte niet is gehoord tijdens de bezwaarprocedure. Appellant heeft in dit verband naar voren gebracht dat zijn toenmalige gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid te worden gehoord en dat hij appellant daarvan niet op de hoogte heeft gesteld. De Raad overweegt dat gedaagde in dit verband geen verwijt kan worden gemaakt omdat een dergelijke situatie voor rekening en risico van appellant komt. Deze grief kan dan ook niet slagen. In het kader van de WAO-beoordeling is appellant gezien door de verzekeringsarts J. Poels. Blijkens zijn rapport van 20 februari 2001 heeft deze arts de diagnoses: cervicale discopathie-klachten met uitstraling naar schouders en spanningsklachten gesteld en de voor appellant geldende belastbaarheid neergelegd in een Scoreformulier Functie Informatie Systeem (FIS). Hij heeft aangegeven dat appellant fysiek geschikt is voor nek-, schouder- en in mindere mate lage rugsparende belastingen. In verband met een bij appellant bestaande stress- en spanningsgevoeligheid is chronisch jagen, onrust, drukte en teveel eindverantwoordelijkheid minder goed duurzaam vol te houden en is ook overigens te eentonig geestdodend werk niet gewenst, omdat appellant dan teveel tijd heeft om te piekeren. De daarna ontvangen informatie van J. Min, werkzaam bij de Mondriaan Zorggroep, heeft Poels geen aanleiding gegeven het Scoreformulier FIS bij te stellen. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts K. Corten het dossier bestudeerd en daarbij ook kennis genomen van de brief van de behandelend orthopaedisch chirurg J. Schaafsma van 17 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.