E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/1755 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond te Amsterdam, in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te ’s-Hertogenbosch onder dagtekening 23 januari 2002 tussen partijen gegeven uitspraak, nr. AWB 01/1034 WAO. Gedaagde heeft bij brief van 24 juni 2002 medegedeeld zich te conformeren aan een uitspraak van de Raad. Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten. II. MOTIVERING Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Bij besluit van 14 augustus 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) met ingang van 15 oktober 2000 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeids- ongeschiktheid van 45 tot 55%. Namens appellant heeft mr. De Klein voornoemd bij brief van 25 september 2000 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 25 april 2001 heeft mr. De Klein beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift. Op 8 mei 2001 heeft gedaagde alsnog een beslissing op het bezwaar genomen waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit op bezwaar van 8 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit). De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant bij dit beroep inmiddels geen belang meer had. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft gedaagde veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van appellant in verband met het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft geen vergoeding voor het door appellant betaalde griffierecht toegewezen. Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over de proceskostenvergoeding en het griffierecht. De rechtbank heeft bij de berekening van de proceskosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage 1 punt toegekend voor het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.