E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/1915 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 3 maart 2003, nr. WW 02/813 LAME, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 4 augustus 2004 waar appellant noch zijn gemachtigde is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Aan de aangevallen uitspraak - waarbij voor eiser appellant gelezen dient te worden en voor verweerder gedaagde - ontleent de Raad het volgende: “Eiser werkte laatstelijk tot 26 oktober 2001 als autobandenmonteur op halfjaarcontract bij [werkgeefster] te Rotterdam. De arbeidsovereenkomst werd niet verlengd in verband met onvoldoende werkaanbod. Bij beslissing van 16 november 2001 is aan eiser met ingang van 26 oktober 2001 een kortdurende werkloosheidsuitkering toegekend aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Op het door eiser ingeleverde werkbriefje over de periode van 5 november 2001 tot en met 2 december 2001 heeft hij ingevuld dat hij in de eerste, tweede en vierde week langs het arbeidsbureau is gegaan, maar dat er geen vacatures voor hem waren. In de derde week is eiser naar Vedior Uitzendbureau gegaan waar ook geen vacatures voor hem waren. Bij brief van 5 december 2001 heeft verweerder bedoeld werkbriefje aan eiser teruggestuurd met het verzoek aanvullende gegevens te verstrekken. Daarbij heeft verweerder expliciet het volgende aangegeven: “Wilt u: - Uw partner het werkbriefje laten ondertekenen. - Al uw sollicitaties opgeven. Langs gaan bij het arbeidsbureau wordt niet gezien als een sollicitatie”. Daarop heeft eiser zijn werkbriefje over de hier in geding zijnde periode opnieuw bij verweerder ingeleverd, mede ondertekend door zijn partner en met een wijziging van zijn sollicitatie-activiteiten in de vierde week, namelijk dat eiser in die week een telefonische sollicitatie heeft verricht bij het arbeidsbureau. Eiser heeft daartoe het telefoonnummer toegevoegd in het betreffende vakje op zijn werkbriefje.” Bij besluit van 11 december 2001 heeft gedaagde het uitkeringspercentage van appellants uitkering ingevolge de WW met ingang van 3 december 2001 verlaagd met 20% gedurende 16 weken. Dit besluit is door gedaagde, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.