E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/104 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 19 december 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 15 februari 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 22 mei 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 december 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 29 november 2002, nr. AWB 02/659 WAO, appellantes beroep tegen het besluit van 22 mei 2002 ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr. Q.J. van Leeuwen, advocaat te Deventer, op bij beroep-schrift van 9 januari 2003 aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage), gedateerd 4 februari 2003, ingediend. Bij brief van 22 juli 2004 heeft mr. Van Leeuwen, voornoemd, nog enige medische stukken naar de Raad gestuurd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 juli 2004, waar namens appellante is verschenen mr. Van Leeuwen en namens gedaagde mr. A. van Elk, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING In dit geding ligt de vraag ter beantwoording voor of de herziening en nadere vaststelling van appellantes uitkering krachtens de WAO ingaande 15 februari 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt. De Raad heeft met betrekking tot de voor appellante op de datum in geding geldende medische beperkingen geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts E. Kraaier die zijn gebaseerd op eigen onderzoek en dossierstudie, als neergelegd in de rapportage van 18 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.