E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/929 AAW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 11 maart 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 29 oktober 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 18 september 1998 heeft gedaagde -voor zover voor dit geding van belang- het tegen het besluit van 11 maart 1998 ingediende bezwaar gegrond verklaard en laatstgenoemd besluit herzien in die zin dat de uitkering van appellant ingevolge de AAW met ingang van 29 oktober 1996 is herzien en nader is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De Raad heeft bij uitspraak van 23 mei 2001, nr. 99/2998 AAW, de zaak voor zover deze betrekking had op het beroep van appellant tegen de in het besluit van 18 september 1998 vervatte vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 oktober 1996, terugverwezen naar de rechtbank Zwolle. De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 18 januari 2002, nr. AWB 01/873 AAW, het beroep van appellant gericht tegen de in het besluit van 18 september 1998 neergelegde herziening en nadere vaststelling van appellants AAW-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% per 29 oktober 1996, ongegrond verklaard. Namens appellant heeft M. Agterhuis, belastingadviseur te Wezep, op bij beroepschrift van 11 februari 2002 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage), gedateerd 22 april 2002, ingediend. Bij brief van 17 februari 2003 zijn namens appellant nadere stukken in het geding gebracht. Nadien heeft gedaagde desgevraagd nog nadere stukken overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 juli 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door M. Agterhuis, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met de navolgende overwegingen. In geding is of gedaagde terecht heeft besloten appellants uitkering ingevolge de AAW ingaande 29 oktober 1996 te herzien en nader vast te stellen naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 55 tot 65%. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 18 januari 2002 uiteengezet dat, en op welke gronden, het hiervoor genoemde herzieningsbesluit in rechte stand kan houden. In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat hij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is en het maatmaninkomen niet juist is vastgesteld. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Met betrekking tot de voor appellant op 29 oktober 1996 geldende medische beperking-en, ziet de Raad geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts H.M.M. van Hardenberg, als neergelegd in haar rapportage van 17 juli 1998, noch aan de beperkingen zoals deze zijn weergegeven in het formulier functie informatie systeem va/ad van 17 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.