02/316 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 november 2001, nr. AWB 01-188 en 01-190, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant bij brief van 1 september 2003 is gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 september 2003, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. De Raad heeft het onderzoek in deze zaak vervolgens heropend. Het geding is -gevoegd met een aantal soortgelijke zaken- opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 25 juni 2004, waar appellant wederom in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.E.C. Werner-de Buck en H. van der Most, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellant bezit de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. In april 2000 is zijn partner [partner] met haar zoon Saulius, geboren op 6 maart 1986, vanuit Litouwen naar Nederland gekomen. Aan [partner] is met ingang van 17 april 2000 een vergunning tot verblijf verleend met als doel verblijf bij appellant en met ingang van 10 augustus 2000 staat zij ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Velsen. Op 26 april 2000 is [partner] met Saulius teruggekeerd naar Litouwen in verband met een aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf voor Saulius, waarna zij op 15 juni 2000 weer in Nederland zijn aangekomen. Van 31 augustus 2000 tot 28 oktober 2000 hebben [partner] en Saulius voor hetzelfde doel wederom in Litouwen verbleven. Op 30 oktober 2000 is Saulius aangemeld als leerling bij de [naam school] te Haarlem. Appellant heeft aan gedaagde verzocht kinderbijslag aan hem toe te kennen voor Saulius. Bij besluit van 27 november 2000 heeft gedaagde afwijzend op deze aanvraag beslist op de grond dat Saulius niet als eigen, aangehuwd of pleegkind van appellant aangemerkt kan worden, welk besluit bij beslissing op bezwaar van 16 januari 2001 (hierna: het bestreden besluit) is gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft gedaagde ter zitting van 19 september 2003 medegedeeld dat Saulius, op grond van een inmiddels gewijzigd beleid, wel aangemerkt kan worden als aangehuwd kind van appellant nu sprake is van een gezamenlijke huishouding van appellant met de moeder van Saulius. Gedaagde heeft de weigering van kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2000 echter gehandhaafd, omdat Saulius op de peildata van die kwartalen nog geen drie maanden in Nederland verbleef, zodat op grond van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) voor hem nog geen aanspraak kon bestaan op kinderbijslag. Ter zitting van 25 juni 2004 is namens gedaagde medegedeeld dat vanaf het eerste kwartaal van 2001 wel kinderbijslag aan appellant is toegekend voor Saulius. De Raad ziet zich in deze procedure gesteld voor de beantwoording van de vraag of gedaagde terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor Saulius over het derde en vierde kwartaal van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.