E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/6117 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. T.G.J. Horlings, werkzaam bij SRK Rechtsbijsatnd te Zoetermeer, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 oktober 2002, nummer AWB 00/11593 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 8 mei 2003 een nader stuk overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 augustus 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Horlings, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Appellante is op 4 december 1997 uitgevallen voor haar werk als full time administratief medewerkster in dienst van de K.L.M., wegens klachten die verband hielden met een post whiplash syndroom als gevolg van een auto-ongeval. Nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken had voortgeduurd, werd appellante geschikt geacht voor passend werk zonder urenrestrictie. Op basis van geschiktheid voor algemeen gangbare functies werd zij 15 tot 25% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geacht. Zij hervatte gedeeltelijk in het eigen werk, eerst voor drie, later voor vier dagen per week. Op 1 augustus 1999 is appellante uitgevallen in verband met zwangerschapsklachten. Op 10 januari 2000 hervatte zij haar werkzaamheden voor vijf dagen per week, maar op 3 februari 2000 heeft zij zich opnieuw ziek gemeld wegens nek- en aanverwante klachten. Op 8 februari 2000 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts M.R.M. Enneking, die aan de hand van zijn bevindingen een belastbaarheidsprofiel opstelde. Voor een medische urenbeperking zag hij geen reden. De arbeidsdeskundige J.L.M. de Boer kwam vervolgens tot de slotsom dat appellante, gelet op de combinatie van bekwaamheden zoals opleiding en ervaring en haar belastbaarheid vóór de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, geschikt was te achten voor het eigen werk als administratief medewerkster voor 39 uur per week. Gedaagde heeft daarop bij besluit van 25 april 2000 de WAO-uitkering van appellante per 19 juni 2000 ingetrokken. Tegen het besluit van 25 april 2000 heeft appellante bezwaar gemaakt. In de overgelegde verklaringen van de fysiotherapeut J.L. de Visser en de arts J.C. Streng, alsmede de opgevraagde informatie van de behandelend neuroloog J.Th.J. Tans heeft de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg echter geen aanwijzingen gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellante door verzekeringsarts Enneking zouden zijn onderschat. Gedaagde heeft vervolgens bij beslissing op bezwaar van 21 september 2000 (hierna: het bestreden besluit) appellantes bezwaren tegen het besluit van 25 april 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten, overwegende dat op grond van de overgelegde medische stukken en het verhandelde tijdens het vooronderzoek niet kan worden staande gehouden dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en dat appellante ondanks die beperkingen geschikt is te achten voor haar eigen arbeid als administratief medewerkster. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij als gevolg van haar lichamelijke beperkingen het aantal per week gewerkte uren heeft moeten terugbrengen naar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.