02/5705 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Utrecht op 20 september 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. SBR 01/2324), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Op 15 januari 2003 heeft gedaagde een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 augustus 2004, waar namens appellant is verschenen zijn gemachtigde, mr. Veerman, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.J. Samson, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is werkzaam geweest als vloerenlegger en is in januari 1983 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens maagklachten. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken zijn aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien zijn deze uitkeringen diverse malen herzien naar een andere mate van arbeidsongeschiktheid. Per 15 mei 2000, op welke datum appellant een WAO-uitkering ontving, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, heeft hij zich ziek gemeld wegens hoofdpijn, rugpijn en spierpijn. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde bij besluit van 13 juli 2000 aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend met ingang van 15 mei 2000 en voorts bij besluit van 21 juli 2000 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 12 juni 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De verzekeringsarts M. van Zuylen heeft appellant op 2 oktober 2000 onderzocht en op dezelfde datum een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant is aangewezen op lichte arbeid en dat het in het kader van een eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling opgestelde belastbaarheidspatroon van 6 oktober 1994 nog grotendeels van toepassing is. Als extra beperkingen zijn door Van Zuylen aangenomen dat appellant niet in een stoffige omgeving mag werken en dat hij niet langdurig in een gefixeerde houding arbeid mag verrichten. De arbeidsdeskundige J. Veugelaers heeft vervolgens op 11 januari 2001 gerapporteerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, op basis van aan hem voorgehouden functies, op 45 tot 55% moet worden gesteld. Bij besluit van 5 februari 2001 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 maart 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Voorts heeft gedaagde bij besluit van 15 augustus 2001 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 19 maart 2001 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft na dossierstudie op 2 april 2001 een rapport uitgebracht. Hierin is, mede onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts T. Wanamarta van 2 maart 2001 en van 23 maart 2001, vermeld dat de door de behandelend neuroloog dr. R.C.J.M. Donders bij brief van 9 maart 2001 verstrekte informatie de bevindingen van de primaire verzekeringsarts bevestigt en dat er geen aanleiding is om aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid te twijfelen. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw op 23 juli 2001 gerapporteerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 45 tot 55% is vastgesteld. Naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2001 heeft bezwaarverzekeringsarts Van Geest op 10 september 2001 gerapporteerd dat hetgeen is vermeld in haar rapport van 2 april 2001 ook in dit verband van toepassing is en dat er geen reden is om dit besluit te herzien. Bij besluit van 24 oktober 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding was om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van deze belastbaarheid, de voor appellant geselecteerde functies als passend kunnen worden aangemerkt en dat de mate van arbeidsongeschiktheid per de datum in geding juist is vastgesteld. Volgens de rechtbank volgt hieruit dat ook het besluit om de ZW-uitkering van appellant in te trekken met ingang van 19 maart 2001 terecht is genomen. In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat zijn behandelend neuroloog de voor de schatting gehanteerde functies ongeschikt heeft geacht. Volgens appellant is door gedaagde onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan de functies geschikt zijn bevonden. Hierbij heeft appellant verklaringen ingebracht van onder meer zijn behandelend neuroloog dr. R.C.J.M. Donders van 27 februari 2001 en van zijn behandelend orthopedisch chirurg G.J.I.M. van der Werf van 4 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.