03/346 WAO + 03/482 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv. De rechtbank Rotterdam heeft op 9 december 2002 tussen partijen uitspraak gedaan in het geding met zaaknummer WAO 02/1051 KRD. Beide partijen zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden. Partijen hebben over en weer een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 augustus 2004, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Betrokkene was werkzaam als schoonmaker toen hij op 30 november 1989 voor zijn werkzaamheden is uitgevallen als gevolg van rugklachten. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken zijn aan betrokkene uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn per 1 juni 1991 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en zijn per 1 mei 1995 ingetrokken. Op 1 september 1998 is betrokkene in dienst getreden als klassenassistent. Op 2 november 1998 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten. Betrokkene is op 21 februari 2000 en 10 mei 2000 onderzocht door respectievelijk verzekeringsarts G.J.F. Weijschede en verzekeringsarts E. Lentjes. Laatstgenoemde verzekeringsarts heeft op 10 mei 2000 gerapporteerd dat sprake is van chronische aspecifieke rugklachten, dat betrokkene is aangewezen op rugsparende werkzaamheden en dat het belastbaarheidspatroon, opgesteld op 28 december 1994 in het kader van een eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, onveranderd van toepassing is. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.P. de Jong op 19 juli 2000 een rapport uitgebracht, waarin is vermeld dat op basis van passend te achten functies de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene moet worden gesteld op 25 tot 35%. Bij besluit van 20 april 2001 heeft het Uwv aan betrokkene een WAO-uitkering toegekend met ingang van 30 november 1998, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans op 5 februari 2002 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat bij het vaststellen van de medische beperkingen in ruim voldoende mate rekening is gehouden met de pijnklachten van betrokkene. Wel moet volgens bezwaarverzekeringsarts Huijsmans mede een beperking worden aangenomen met betrekking tot het aspect persoonlijk risico in verband met de medicatie die betrokkene op de datum in geding gebruikte. De bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards heeft vervolgens op 20 februari 2002 een rapport uitgebracht, waarin de conclusie is neergelegd dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 30 november 1998 onveranderd op 25 tot 35% moet worden gesteld. Het Uwv heeft bij besluit van 20 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. In de eerste plaats heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen reden is om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Met betrekking tot de hoogte van het voor betrokkene geldende maatmaninkomen heeft de rechtbank geoordeeld dat dit door het Uwv te laag is vastgesteld en dat het maatmaninkomen - inclusief vakantiegeld en geïndexeerd naar de datum 30 november 1998 - op ƒ 25,60 per uur moet worden gesteld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de aan betrokkene voorgehouden functie van printplatenmonteur een opleiding op VBO-niveau vereist, dat betrokkene, gezien zijn opleiding en werkervaring, aan dit vereiste niet voldoet en dat deze functie derhalve dient te vervallen. Volgens de rechtbank leidt een en ander ertoe dat betrokkene moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 30 november 1998 berekend wordt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Zowel betrokkene als het Uwv zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Namens betrokkene is aangevoerd dat zijn medische beperkingen, anders dan de rechtbank aanneemt, zijn onderschat en dat zelfs de in fysiek opzicht als licht te typeren functie van klassenassistent te zwaar was. Hierbij is opgemerkt dat volgens betrokkene nog geen juiste diagnose is gesteld en dat in verband hiermee nog geen adequate behandeling heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft zijn hoger beroep gericht tegen de overweging van de rechtbank met betrekking tot de geschiktheid van de functie van printplatenmonteur, dit onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards van 21 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.