02/2086 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 26 februari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. AWB 01/544 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Appellant heeft de gronden van zijn beroep bij schrijven van 12 juni 2002 aangevuld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 11 augustus 2004, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant, geboren in 1949, was sinds 1966 in dienst van C&A, laatstelijk als floor-manager. Bij beschikking van 17 augustus 2000 heeft de kantonrechter te ’s-Gravenhage de arbeidsovereenkomst per 1 september 2000 ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan appellant van f 394.244,-- (€ 178.900,--). Op 24 augustus 2000 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Onder verwijzing naar artikel 16, derde lid, van de WW heeft gedaagde besloten dat de WW-uitkering niet eerder dan per 1 februari 2001 kan worden toegekend. Naar aanleiding van de daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 7 februari 2001 gesteld dat in de op appellant van toepassing zijnde CAO Vereniging Grootwinkelbedrijven in Textiel van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) afwijkende bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de opzegtermijn. Ingevolge die CAO geldt voor werkgever en werknemer een opzegtermijn van tenminste één maand, tenzij de wet een langere termijn voorschrijft. Voorts vindt beëindiging plaats tegen het einde van de maand, indien het een werknemer op maandsalaris betreft. Verder is bepaald dat bij ontslag wegens slapte of reorganisatie of wegens ongeschiktheid van de werknemer de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn één maand bedraagt voor elke twee volle jaren gedurende welke de werknemer sedert zijn 21ste jaar onafgebroken in de onderneming is werkzaam geweest, met een minimumtermijn van één maand en een maximumtermijn van zes maanden. Volgens gedaagde bedraagt de opzegtermijn voor de werkgever op grond van de CAO in het geval van appellant zes maanden en vindt opzegging plaats tegen het einde van de maand. Onder toepassing van de laatste volzin van artikel 16, derde lid, van de WW, heeft gedaagde de termijn met een maand verkort en de eerste werkloosheidsdag vastgesteld op 1 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.