02/3869 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de onder dagtekening 27 juni 2002 tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam, reg.nr AWB 02/965 WW, waarbij het besluit van 27 september 2000 is vernietigd, appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen en is verwezen in de proceskosten en het griffierecht. Namens gedaagde heeft mr. J.L.E.M. Vossen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 augustus 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. de Pijper, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vossen voornoemd als zijn raadsman. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Gedaagde, geboren in 1960, is vanaf 31 juli 1989 als project engineer werkzaam geweest bij [werkgever] (hierna: de werkgever). Vanaf november 1999 heeft de werkgever gedaagde in de gelegenheid gesteld om een andere baan te zoeken en heeft hij een overeenkomst gesloten met een outplacementbureau dat gedaagde daarbij zou begeleiden. De kosten daarvan zijn door de werkgever aan dat bureau betaald. Bij verzoekschrift van 3 februari 2000 heeft de werkgever de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2000 te ontbinden en daarbij aangegeven dat er, gelet op het feit dat hij bereid is de arbeidsovereenkomst te continueren tot 1 mei 2000 en dat hij bereid is geweest de kosten voor outplacement voor zijn rekening te nemen, geen reden is om aan gedaagde bij de ontbinding een vergoeding toe te kennen. De kantonrechter heeft bij beschikking van 31 maart 2000 de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2000 ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding aan gedaagde. Gedaagde heeft per 1 augustus 2000 ander werk gevonden. Bij besluit van 19 mei 2000 heeft appellant gedaagde met ingang van 1 juni 2000 een WW-uitkering toegekend. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 27 september 2000 (het bestreden besluit) heeft appellant die ingangsdatum gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de door de werkgever betaalde kosten van outplacement moeten worden aangemerkt als inkomsten in verband met de beëindiging van de arbeids-overeenkomst, welke inkomsten op grond van artikel 16, derde lid, van de WW gelijk moeten worden gesteld met het recht op onverminderde doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW en moeten worden toegerekend aan de rechtens geldende opzegtermijn te rekenen vanaf de dag na de ontbindingsbeschikking. Die opzegtermijn bedraagt in het geval van gedaagde drie maanden, waarop ingevolge de laatste volzin van artikel 16, derde lid, van de WW de zogenoemde rda-maand in mindering wordt gebracht. Op die wijze heeft appellant de eerste werkloosheidsdag en de ingangsdatum van de WW-uitkering bepaald op 1 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.