02/6388 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 13 november 2002, onder nummer AWB 00/763 ZW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 6 maart 2003 een reactie van een bezwaarverzekeringsarts toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 augustus 2004, waar appellant, zoals tevoren aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordiger door A.J.J.A.M. Spapens, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant is met ingang van 23 maart 1998 als productiemedewerker in dienst getreden van [naam werkgever] (de werkgever) en als zodanig tewerkgesteld op de snijzaal. Op 17 juni 1998 heeft hij zich met een mes in de linkeronderarm gestoken. Vanaf 20 juli 1998 heeft hij, afgewisseld met periodes waarin hij helemaal niet heeft gewerkt, op arbeids- therapeutische basis 50% gewerkt. Van 31 oktober 1998 tot 7 december 1998 heeft hij volledig gewerkt in een aangepaste functie. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft hij zich weer ziekgemeld vanwege klachten aan zijn linkerarm. In de periode tot 28 maart 1999, toen aan zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een einde kwam, heeft hij afwisselend wel en niet gewerkt. Op 30 maart 1999 heeft hij zich bij gedaagde met ingang van 7 december 1998 ziek gemeld. Bij besluit van 22 november 1999 heeft gedaagde appellant over de periode van 26 mei 1999 tot 30 juni 1999 ziekengeld toegekend. Over de periode van 7 december 1998 tot 28 maart 1999 heeft gedaagde geweigerd ziekengeld uit te keren omdat de werkgever over die periode loon moet betalen. Gedaagde heeft over de periode van 29 maart 1999 tot 26 mei 1999 en met ingang van 30 juni 1999 ziekengeld geweigerd omdat uit medisch onderzoek was gebleken dat appellant toen niet ongeschikt was te achtten voor zijn eigen werkzaamheden. Gedaagde heeft bij besluit van 22 december 1999 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep primair het standpunt ingenomen dat gedaagde bij de beoordeling van zijn recht op ziekengeld ten onrechte het aangepaste werk als `hammenrichter` als `zijn arbeid` in de zin van de Ziektewet (ZW) heeft aangemerkt. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat hij ook voor het werk als `hammenrichter` niet geschikt is. Ten bewijze van deze stelling beroept hij zich op een rapport van prof.dr. P.H.M. Spauwen van 14 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.