E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/3808 en 03/3810 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [Naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekringen (Uwv), gedaagde. ?. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 19 juni 2003 onder kenmerk 02/748 en 02/3148 gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 september 2004, waar namens appellante is verschenen mr. M.A. Hoes, werkzaam bij de Metaalunie te Nieuwegein, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren en E. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv. ??. MOTIVERING Bij besluit van 11 januari 2002 heeft gedaagde de voor appellante geldende gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2001 vastgesteld. Bij die vaststelling is mede in aanmerking genomen de in 1999 aan [werknemer 1] en [werknemer 2] betaalde WAO-uitkeringen. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit van 22 augustus 2002 ongegrond verklaard. Bij besluit van 26 november 2001 heeft gedaagde de voor appellante geldende gedifferentieerde premie op grond van de WAO voor het premiejaar 2002 vastgesteld. Bij die vaststelling is mede in aanmerking genomen de in 2000 aan [werknemer 3] en [werknemer 4] betaalde WAO-uitkeringen. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit van 19 februari 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen de bestreden besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, kort gezegd, dat gedaagde appellante terecht artikel 87e WAO heeft tegengeworpen. In hoger beroep heeft appellante zich hiertegen gekeerd en heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de medische stukken aan de gemachtigde van appellante had moeten toezenden. De Raad stelt met appellante vast dat [naam werknemer 1] en [naam werknemer 2] reeds v??r 1998 hun werkzaamheden wegens ziekte hebben gestaakt en dat deze gevallen voor appellante tot premieverhoging hebben geleid voor het jaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.