02/2824 NABW 02/2825 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellanten heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 april 2002, reg.nr. 01/127 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 18 augustus 2004, waar appellanten, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.M. Jacobs, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Bij besluit van 14 september 1999 heeft gedaagde de met ingang van 13 februari 1995 aan appellanten toegekende bijstand tot een bedrag van ƒ 31.744,80 van hen teruggevorderd. Bij besluit van 19 december 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 14 september 1999 in zoverre gegrond verklaard dat het teruggevorderde bedrag is verlaagd tot ƒ 24.447,80 en is het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 december 2000 ongegrond verklaard. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt vast dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellanten reeds op de ingangsdatum van hun bijstandsuitkering beschikten over een relevant vermogen in de vorm van onroerend goed in Turkije. In hoger beroep hebben appellanten erkend dat zij eigenaar zijn van twee appartementen. Door hen wordt echter betwist dat zij ten tijde hier van belang tevens eigenaar waren van een perceel grond. In dit verband hebben zij gesteld dat deze grond weliswaar op naam van appellant stond, maar niettemin steeds eigendom van hun zoon is geweest. Uit een in eerste aanleg overgelegde vertaling van een afschrift van een koopovereenkomst van 6 augustus 2001 blijkt dat appellant de grond eerst toen voor een bedrag van 500.000.000 TL aan zijn zoon heeft verkocht. Hieruit moet naar ’s Raads oordeel worden opgemaakt dat appellant ten tijde in geding, te weten van 13 februari 1995 tot en met 6 mei 1997, in elk geval nog de eigenaar van de betreffende landbouwkavel was. De totale waarde van de appartementen en de landbouwkavel is door een vanwege gedaagde ingeschakelde taxateur in 1997 geschat op ƒ 60.000,--. Volgens een namens appellanten in bezwaar overgelegd taxatierapport van 19 november 1999 bedroeg de totale waarde ƒ 46.000,--. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 19 december 2000 besloten uit te gaan van de gemiddelde waarde van de taxaties van de onroerende goederen, namelijk van ƒ 53.000,--. Met inachtneming van het destijds vrij te laten bescheiden vermogen van ƒ 19.000,-- en een extra vrijlating van ƒ 9.500,--, heeft gedaagde het van appellanten over de hier van belang zijnde periode terug te vorderen bedrag uiteindelijk bepaald op ƒ 24.447,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.