02/187 NABW 02/190 NABW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2001, reg.nrs. 01/2399 NABW en 01/2570 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden. Appellant heeft aan de Raad diverse nadere stukken met bijlagen gezonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 14 september 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontvangt sedert 23 januari 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. In de weken 13 tot en met 16 van 1998 en in de weken van 17 tot en met 21 van 1999 heeft appellant werkzaam-heden verricht via uitzendbureau BBB zonder daarvan op de voorgeschreven wijze (onverwijld via de inkomstenverklaringen of anderszins) melding te maken aan gedaagde. Bij besluit van 20 april 2000 heeft gedaagde het recht op bijstand over evengenoemde tijdvakken herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 4.023,84 van hem teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 juni 2001, nr. MEC 200100918 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 20 april 2000 heeft gedaagde appellant een boete opgelegd van f 625,--, zijnde 15% van het bruto fraudebedrag naar boven afgerond op een veelvoud van f 25,--. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van eveneens 15 juni 2001, nr. MEC 200100917 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting kan appellant zich niet met deze uitspraak verenigen, voorzover deze ziet op de terugvordering en de opgelegde boete. De Raad komt tot de volgende beoordeling. ? Ten aanzien van de terugvordering Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat gedaagde ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden was de gemaakte kosten van bijstand over bovenvermelde tijdvakken tot een bedrag van f 4.023,84 van appellant terug te vorderen. Appellant heeft evenwel aangevoerd dat gedaagde op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw - geheel - van terugvordering had moeten afzien. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/42 en USZ 2003/67) kunnen blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid dringende redenen in de zin van artikel 78, derde lid, van de Abw slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In het geval van appellant is de Raad van consequenties als hiervoor bedoeld niet gebleken. De Raad merkt in dat verband nog op dat bij terugvorde-ring de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene blijft beschikken over de zogeheten beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het hoger beroep kan, voorzover dit ziet op de terugvordering, dan ook niet slagen. ? Ten aanzien van de boete Nu besluit 1 in rechte onaantastbaar is geworden, staat daarmee vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 14a, eerste lid, van de Abw. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van het appellant verweten, niet nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Voorts stelt de Raad vast dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting hier heeft geleid tot het tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand over de weken 13 tot en met 16 van 1998 en over de weken van 17 tot en met 21 van 1999, zodat zich hier geen geval voordoet als bedoeld in artikel 14a, derde lid (tekst van 31 december 1998 tot en met 31 december 2001), van de Abw. De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. De Wet werk en bijstand (WWB) voorziet niet langer in de mogelijkheid van het opleg-gen van een boete zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw. Uit het overgangsrecht neergelegd in artikel 2 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand in verbinding met artikel 2 van het Inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2003,386) en artikel 2 van de Invoeringsregeling WWB (Stcrt. 2003, nr. 203) volgt echter dat artikel 14a van de Abw van kracht blijft tot uiterlijk 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.