03/5381 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 30 september 2003, kenmerk JZ/E60/2003/, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 24 juli 2004 heeft eiseres de Raad medegedeeld dat dr. ir. H.T. Bussemaker, wonende te Heemstede, als haar gemachtigde zal gaan optreden. Tevens heeft zij nog een getuigenverklaring van haar zuster C.A. Keydeniers-de Rozario overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2004, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde dr. ir. H.T. Bussemaker voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING In april 1997 heeft eiseres, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan hetgeen zij in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt tijdens de zogeheten Bersiap-periode. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 28 november 1997, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 augustus 1998, op de grond dat niet gebleken is dat eiseres getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen - samengevat - dat de huiszoeking door pemoeda’s en het verblijf in een beschermingskamp te Buitenzorg niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, van de Wet kunnen worden gebracht en dat van bedreiging door extremisten onvoldoende bevestiging is verkregen terwijl de directe betrokkenheid van eiseres bij beschietingen tijdens het verblijf in het kamp te Buitenzorg niet is komen vast te staan. Eiseres heeft tegen laatstgenoemd besluit geen beroep ingesteld, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden. In november 2002 heeft eiseres verzocht om herziening van dat besluit teneinde te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Eiseres heeft daarbij haar eerdere relaas verder uitgediept en aangevuld, alsmede drie nieuwe getuigenverklaringen, vergezeld van situatieschetsen, overgelegd. Bij besluit van 23 juli 2003 heeft verweerster dit verzoek afgewezen en deze afwijzing na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond dat de tijdens de herzieningsprocedure door eiseres ingebrachte documenten en verklaringen geen relevante nieuwe feiten of gegevens bevatten op grond waarvan verweerster tot een ander standpunt zou moeten komen. De Raad overweegt het volgende. De hiervoor genoemde aanvraag van november 2002 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen besluit van 28 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.