02/2978 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 april 2002, reg.nr. 01/2047 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 augustus 2004, waar partijen - wat gedaagde betreft met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad, gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellant ontving ten tijde in dit geding van belang een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een gezin. Bij besluit van 3 juli 2001 heeft gedaagde, met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Abw, het recht op bijstand van appellant met ingang van 5 juni 2001 opgeschort op de grond dat appellant niet volledig heeft voldaan aan het verzoek van gedaagde om gegevens te verstrekken met betrekking tot alle bank-, giro- en spaarrekeningen op naam van hem zelf, zijn echtgenote en zijn zoon. Tevens heeft gedaagde daarbij, met toepassing van artikel 69, tweede lid, van de Abw, appellant uitgenodigd vóór 10 juli 2001 nadere gegevens te verstrekken en medegedeeld dat het recht op uitkering zal worden beëindigd indien de gevraagde gegevens niet vóór 17 juli 2001 worden verstrekt. Tegen het besluit van 3 juli 2001 is geen bezwaar gemaakt. Nadat appellant enkele van de gevraagde gegevens had overgelegd, heeft gedaagde appellant bij brief van 9 juli 2001 - voorzover hier van belang - verzocht vóór 17 juli 2001 alsnog van alle spaarrekeningen op naam van zijn zoon de laatste drie afschriften te verstrekken en medegedeeld dat het recht op uitkering zal worden beëindigd indien de gevraagde gegevens niet vóór 23 juli 2001 worden verstrekt. Op 17 juli 2001 heeft appellant opnieuw enkele van de gevraagde gegevens overgelegd. Daaruit is gebleken dat op naam van zijn zoon twee spaarkoersrekeningen (met de nummers ..............) staan. Van die rekeningen heeft appellant geen afschriften of andere gegevens overgelegd. Bij het primaire besluit van 20 augustus 2001 heeft gedaagde, met toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw, het recht op bijstand van appellant met ingang van 5 juni 2001 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant in gebreke is gebleven alle gevraagde gegevens te verstrekken. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat van de twee spaarkoersrekeningen geen afschriften zijn overgelegd omdat het om slapende rekeningen zonder saldo zou gaan. Bij besluit op bezwaar van 1 november 2001 heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd dat appellant ondanks herhaald verzoek de gevraagde afschriften van de twee spaarkoersrekeningen niet heeft overgelegd en voorts overwogen dat door appellant ook niet is aangetoond dat het slechts om slapende rekeningen zonder saldo zou gaan. Wel heeft gedaagde, met gegrondverklaring van het bezwaar, de ingangsdatum van de intrekking gewijzigd in 9 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.