02/579 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 18 januari 2002 reg. nr. WW 01/1149-FRC, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 1 september 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Met ingang van 26 januari 2000 heeft gedaagde appellant een uitkering krachtens de WW toegekend. Daarbij is appellant gewezen op de verplichting om tenminste 1 sollicitatie per week te verrichten en gewaarschuwd voor een korting van het uitkeringspercentage met 20% dan wel een blijvend gehele weigering van de uitkering indien hij aan die verplichting niet voldoet. Bij brief van 22 juni 2000 is appellant wederom gewezen op de sollicitatieverplichting. Daarbij is appellant medegedeeld dat deze verplichting ook geldt indien hij in een week gedeeltelijk werkt en dat hij niet slechts 1 werkgever mag opgeven, maar ook andere werkgevers moet aanschrijven. Blijkens het werkbriefje over de periode 1 januari 2001 tot en met 28 januari 2001 heeft appellant op 12, 15, 16, 18, en 19 januari 2001 via Creyf’s Interim werkzaamheden verricht en stond hij in die periode bij vier met name genoemde uitzendbureaus ingeschreven voor een functie als productiemedewerker. Bij besluit van 1 februari 2001 heeft gedaagde het uitkeringspercentage van appellants uitkering ingevolge de WW met ingang van 29 januari 2001 verlaagd met 20% gedurende 16 weken. Daartoe is overwogen dat appellant de regels van de WW heeft overtreden door in de periode van 1 januari 2001 tot en met 28 januari 2001 uitsluitend bij uitzendbureaus te solliciteren. Dit besluit is door gedaagde, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 20 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.