02/3160 WAZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 25 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant na afloop van de wachttijd met ingang van 29 mei 2000 geschikt geacht wordt voor gangbaar werk. Bij besluit van 22 oktober 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard, waarbij is opgemerkt dat voor WAO moet worden gelezen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 2 mei 2002 (registratienummer 01/1518 WAZ) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 24 augustus 2002, met als bijlage een brief van huisarts F.A. Dekker, gedateerd 30 juli 2002, aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 23 september 2002, ingediend. Appellant heeft vervolgens nog een schrijven, gedateerd 26 juli 2004, aan de Raad doen toekomen. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 6 augustus 2004, waar appellant noch gedaagde zijn verschenen, beiden met voorafgaand bericht. II. MOTIVERING Appellant was werkzaam als zelfstandige, hij had een ijzerwarenwinkel, totdat hij zich op 21 augustus 1998 ziek meldde wegens hartklachten. Een hartklepoperatie volgde en na een herstelperiode werd hij door de verzekeringsarts, in het kader van zijn vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet, per 1 mei 1999 hersteld verklaard. Op 1 juni 1999 viel hij opnieuw uit, vanwege klachten van transpireren, duizeligheid en tekeer gaan van het hart. Hij ontving over de maximale uitkeringsduur ziekengeld ingevolge de Ziektewet en vroeg aansluitend een WAZ-uitkering aan, welke werd geweigerd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit vermeld dat het besluit van 22 mei 2000 moet worden gelezen als betrof het een weigering tot toekenning van een WAZ-uitkering in plaats van een WAO-uitkering. In het verweerschrift bij de rechtbank heeft gedaagde bovendien vermeld dat voor in bovengenoemd besluit en in het bestreden besluit genoemde datum van 29 mei 2000 moet worden gelezen 31 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.